Huisarrest – hoe kom je de dagen door?

Tja, we moeten als het even kan thuisblijven. Zo houden we het coronavirus zoveel mogelijk in toom. Ik houd me daar netjes aan, ook nu op deze zondag de blauwe hemel, dwars door mijn dakramen, naar mij lonkt. Vanmiddag alleen even naar de supermarkt, zigzaggend langs eventuele passanten, om avondeten te halen. Best een dingetje hoor, de hele dag thuis. Toch maar eens kijken hoe mijn twee huisgenoten met het huisarrest omgaan. Daar heb ik nu alle tijd en ruimte voor. 

 

Katten.
Mijn twee huisgenoten moeten sowieso binnen blijven.

Coos en Bliksem heten ze, de poes en kat die ik in september vorig jaar voor mijn kinderen heb gekocht. Het waren nog kittens toen ze zich bibberend in hun reismandje lieten stoppen, maar nu zijn ze een stuk groter. En ze voelden zich hier in Purmerend al snel thuis.  

Het zijn twee huiskatten en dat moet zo blijven. Zet ik onverhoopt de deur naar mijn dakterras op een kier en glippen ze er doorheen, dan is het maar de vraag of ik ze ooit nog terugzie. De weg naar het dak is zo gevonden en dan kunnen ze alle kanten op. 

Bang dat ik ze kwijt was

Op dag 2 was ik al bang dat ik ze kwijt was. We waren op een middag met ze thuisgekomen, hadden de reismandjes in de hal gezet met het deurtje uitnodigend open en we zouden het lekker aan onze nieuwe huisgenoten overlaten om over de drempel te stappen. Niets forceren. Er gebeurde niet veel. Coos had haar eigen mandje verlaten en was snel bij Bliksem in het mandje gekropen. Dat was de enige verandering die we hebben waargenomen.  

Ze bleven zitten waar ze zaten en ook toen we gingen slapen hebben we ze met rust gelaten. De volgende ochtend sloop ik op mijn sokken naar de mandjes. Even kijken hoe het met ze was.  

De mandjes waren leeg.  

Hoe vertel ik het de kinderen?

Ik stond op het verkeerde been. Ik zag ze nergens en evenmin hoorde ik gescharrel of geschuifel. Terwijl mijn appartement klein en overzichtelijk is. Ver konden ze niet zijn. 

En toen schrok ik me kapot. De dakraampjes in mijn huiskamer! Ze stonden een decimeter open! Ik zet ze elke nacht op die stand om frisse lucht binnen te laten en uit macht der gewoonte had ik dat weer gedaan. Ze zouden toch niet…  Nee, toch… Of… 

Mijn hart bonkte in mijn keel. Ze waren weg, ik was ervan overtuigd. Door de dakramen geglipt en terug naar huis. Even moest ik steun zoeken bij een muur. En daarbij dacht ik: hoe vertel ik het de kinderen? 

Drie keer heb ik wanhopig het hele huis doorzocht. Er was nog een kans dat ik ze over het hoofd had gezien. Zoeken is immers niet mijn sterkste kant; ik kan minutenlang voor de open koelkast staan voordat ik de fles ketchup vind die ik zoek. En die staat dan op ooghoogte voor mijn neus. Mannenkwaal. 

Pas toen mijn dochter wakker werd en zich bij me voegde, kwam het goed. Ze haalde de plint onder de keukenkastjes weg en ja hoor, we gingen op onze knieën zitten en keken recht in twee bange kattensnuitjes. Ze lagen daar veilig en waren niet van plan om hun schuilplek te verlaten. 

Maar dat was toen. 

Coos en Bliksem.
Coos en Bliksem voelden zich al snel thuis.

Het is nu maart en Coos en Bliksem lopen hier onbekommerd rond. Ze vinden het wel best zo. Af en toe kijken ze vanaf het Franse balkon de winkelstraat in, maar ze vertonen geen enkele drang of neiging om naar buiten te gaan. De coronacrisis raakt hen dan ook niet. Ze kunnen gewoon in het vertrouwde ritme blijven. 

Dat ritme is net even anders dan dat van mij. 

Vrij spel in de nachtelijke uren

Als ik slaap – ‘s nachts, mijn dagelijkse inzakkertje na het avondeten reken ik niet mee – komen Coos en Bliksem tot leven. Ze hebben vrij spel en soms hoor ik ze door de gang stuiven; die is ongeveer twaalf meter lang, dus daar kunnen ze wel wat mee. Af en toe valt er in huis iets om. 

Het is altijd weer een verrassing wat ik ‘s ochtends allemaal aantref. In de huiskamer liggen meestal kranten, pennen, mijn joggingbroek en placemats verspreid over de vloer. In de hal zijn schoenen uit het rek gehaald. Naast de kattenbak liggen meestal drie drollen op het zeil te smeulen. Dader: Coos. Dat is dan weer geen verrassing. Coos heeft het niet zo op de kattenbak, ook niet nadat ik die heb schoongemaakt. 

Ik word na het verlaten van mijn bed hartelijk begroet. Wat veel te maken heeft met het voerbakje, waarin nog maar een paar brokjes liggen. Ik pak de zak met voer uit de berging, rammel er theatraal mee en dan dartelen de twee enthousiast om mijn voeten. 

Uurtje donderjagen

In de loop van de ochtend dient zich een uurtje donderjagen aan. Coos en Bliksem stuiven achter elkaar aan, springen over stoelen, banken en tafel en gaan samen lekker rollebollen. Het gaat er soms stevig aan toe. 

Zo rond het middaguur zijn ze hun energie kwijt en gaan ze er rustig bij liggen. Of allebei op een eigen plekje of bij elkaar. Dan vinden ze elkaar in een innige omstrengeling. Voor hen is het dan bedtijd. Piepend en snurkend gaan ze een paar uur pitten.

Een innige omstrengeling.

Naarmate de avond nadert worden ze weer wakker en doen ze allebei hun eigen ding. Meestal zit ik met de kinderen, als ze niet bij mijn ex maar bij mij zijn, op de bank en dan voegen Coos en Bliksem zich gezellig bij ons. Bliksem zoekt de knuffel, Coos houdt iets meer afstand. En soms kijkt ze televisie. Zeker als ik naar het dierenprogramma Love Nature kijk. Met name katachtigen trekken dan haar aandacht. Logisch, het zijn verre verwanten.  

Coos kijkt graag naar Love Nature.

Zo vullen Coos en Bliksem hun dagen. Ook tijdens de coronacrisis.

En ik? Ik tik. Artikelen voor mijn krant, blogs, nieuwe hoofdstukken voor mijn boek, en ik ga meedoen aan verhalenwedstrijden. Wie lol heeft in schrijven, heeft een mooi excuus om thuis te blijven. 

Mijn werkplek.