De rattenvanger die bot ving

Rat.

Ik zat in het tuinzitje te lezen en uit mijn linker ooghoek zag ik iets bij het kippenhok bewegen. Er flitste iets donkers achterlangs. Mijn angstige vermoeden werd direct bevestigd. Een rat, en een grote ook. Het dier kroop onder het gaas van het hok door en begon enthousiast uit het voerbakje te eten. Ik stond snel op, griste een hark mee die naast me stond en haastte me naar het kippenhok om de ongenode gast weg te jagen. Maar hij had me al gezien. Hij nam nog één hap, spurtte weg via de dezelfde route en verdween via een smalle spleet tussen de twee schuren naar de weilanden achter het erf.

Er moesten maatregelen worden genomen. En snel ook. Rattengif? Nee. Geen optie, met rondscharrelende kippen en rondhobbelende honden in de achtertuin. Bovendien waren de kinderen ook nog niet zo groot. Een gespecialiseerd bedrijf inschakelen? Ja. Dat leek me beter.

Via een handige website kon ik in één keer bij zes bedrijven een offerte aanvragen. Ik had nog maar net op ‘Verzenden’ geklikt of er hing al een bedrijf uit de Flevopolder aan de lijn. Toevalstreffer of iemand die het niet zo gek druk had? Ik ging uit van het eerste. Het was de directeur zelf.

Verder dan het noemen van mijn naam kwam ik niet. De man ontstak in een lang verhaal over ratten in het algemeen, ratten in de polder en de bestrijding van ratten. Toen ik eindelijk een spatie tussen twee zinnen ontdekte, dook ik erin en vroeg naar de kosten. Nou, die kon hij me precies voorrekenen. Maar was het niet handiger dat hij even langskwam? Morgen zou hij toevallig bij mij in de buurt zijn. Dus dat trof. Nu geloof ik nooit zo in toeval, maar vooruit, ik zou toch vrij zijn, dus ik liet hem maar langskomen.

Slechte start
De man maakte een slechte start. Hij parkeerde zijn auto doodleuk op het erf van mijn buren, een aannemersbedrijf. Ruimte genoeg, daar niet van, maar ik vond dat niet zo netjes. Op mijn verzoek zette hij zijn auto in de grasberm voor het huis.

Het was een grote, vadsige man van tegen de zestig. Dikke pens, overhemd vol vlekken, kalend hoofd met hier een daar wat plukken haar. Het meest opvallend was zijn gebit, of eigenlijk de resten daarvan: twee smalle, puntige geel-bruine voortanden. De link met de dieren die hij bestreed was automatisch gelegd. De man stond me enorm tegen en het zou alleen maar erger worden.

Gevoel voor theater
Het was vijf over drie en datgene waarmee ik al ernstig rekening had gehouden gebeurde. De rat verscheen ten tonele. De man zag het, hield stil, zakte met veel gevoel voor theater even door de knieën en zei: ‘Een rat! Overdag! Ik kan me niet herinneren ooit overdag een rat te hebben gezien.’ Op zijn gezicht toverde hij een onthutste uitdrukking. ‘Meneer,’ zei hij daarna tegen me, ‘ik denk dat u een groot, gróót probleem hebt. Ik denk dat er een grote familie ratten bij u in de buurt zit.’

Trillende wijsvinger
Hij keek schichtig rond. Zijn ogen kregen ineens de omvang van bierviltjes, zijn mond viel half open en hij wees met een trillende wijsvinger naar de achterdeuren die wijd open stonden. ‘Die deuren! Staan die altijd open?’ stamelde hij, alsof hij het niet kon geloven. ‘En u hebt kinderen?’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Gaat u even rustig zitten,’ zei ik, op de grens van geamuseerd en geïrriteerd, en ik wees naar het zitje. ‘Dat wilde hij wel en een glaasje koel water kon hij op deze zomerse dag ook wel gebruiken. Ik kwam het hem brengen en schoof bij hem aan. Hij leek al een beetje van de eerste schrik bekomen. Inmiddels had ik al besloten niet met deze charlatan in zee te gaan. Maar hij mocht van mij nog wel even zijn verhaaltje doen en ik was toch ook wel benieuwd naar het kostenplaatje.

Lokkasten op strategische plekken
De man nam een ferme slok. Hij benadrukte nog even hoe groot het probleem was, drukte mij op het hart direct afdoende maatregelen te treffen en ontvouwde zijn strijdplan. Op strategische plekken zou een lokkast komen te staan met daarin gif. Voor ratten zou dat onweerstaanbaar zijn en binnen enkele maanden zou de gehele familie zijn uitgeroeid. Het gif zou wel regelmatig moeten worden bijgevuld om nieuwe ratten buiten de tuin de houden. Ik hoefde de kasten alleen maar even in de auto te zetten en naar Flevoland te rijden, waar zijn bedrijf was gevestigd, en terwijl ik kon genieten van een kopje koffie en een gezellig babbeltje – met hem, vrees ik – werd het gif bijgevuld.

Vier à vijf van die kasten waren overigens wel benodigd, schatte hij in, nadat hij zijn blik over mijn achtertuin had laten gaan. Minimaal. En, o ja, stomtoevallig had hij een paar kasten achter in zijn auto. De strijd tegen de ratten zou vandaag nog kunnen beginnen. Kon het mooier?

Hij keek een beetje verstoord op
Toen ik hem vroeg hoeveel het allemaal zou kosten als ik met zijn bedrijf in zee zou gaan, keek hij een beetje verstoord op. Alsof ik hem had gevraagd of hij mijn rug even wilde masseren. Hij leunde wat achterover, keek naar de staalblauwe hemel en tuitte zijn lippen. Daarna schotelde hij mij een wat ingewikkeld plaatje voor, waarbij hij terloops wat bedragen noemde. Ik begreep eruit dat de lokkasten mijn eigendom zouden worden en dat die mij pakweg 300 à 400 euro zouden kosten. Daarnaast zou ik per jaar ongeveer 400 euro kwijt aan de controles. Want er hoorde natuurlijk wel een jaarlijkse inspectie bij om te kijken of alles nog in orde was.

Terwijl ik in mijn hoofd een optelsommetjes maakte, toverde de man een contract uit zijn tas. Voor het gemak was dat al grotendeels ingevuld. ‘Ik teken nog niks,’ zei ik waarschuwend, ‘want ik weet nog helemaal niet of ik dit wil.’

Gelukkig hoefde dat ook niet. Ik mocht er nog even over nadenken. Pas als ik van zijn diensten gebruik zou willen maken, hoefde ik alleen maar te tekenen en het contract op te sturen.

Geen bedragen
Ik liep het formulier na en miste daarop een vrij relevant gegeven: een bedrag. De ruimte waar dat had moeten staan was leeg. Toen ik hem daarop attendeerde, reageerde hij heel verbaasd. ‘Geen bedrag? O, heb ik dat er niet bij gezet?’

Koeltjes keek ik hem aan. ‘Nee, dat hebt u er niet bij gezet.’

De man nam het papier weer van me over een krabbelde er iets op. Twee bedragen die samen uitkwamen op ruim 700 euro. Maar eigenlijk hoefde ik dat al niet eens meer te zien. Mijn besluit was al genomen.

De volgende morgen hebben we de in onze ogen beste – en een stuk goedkopere – maatregel genomen om af te rekenen met ratten. We hebben een poes, type killer, gekocht. Twee dagen later lag de rat naast het kippenhok op zijn rug. Met doffe kraaloogjes bestudeerde hij het wolkendek.

Van ratten hadden we daarna nooit meer last gehad. Van die man ook niet. Ik had hem gemaild dat ik geen gebruik zou maken van zijn diensten. Laatst heb ik hem voor de aardigheid nog even gegoogeld. Het bedrijf bestaat niet meer.

Een onvergetelijke paasdag

De eerste paasdag was even anders dan anders. Lege kerken bijvoorbeeld, met online kerkdiensten als alternatief. Voor mij maakte het niet zo veel uit. Met kerken heb ik niet zoveel, en met Pasen zelf eerlijk gezegd evenmin, al ben ik wel dol op chocolade eieren (het liefst puur). En juist door mijn desinteresse liep er ooit op eerste paasdag iets ernstig mis. 

Kerk.
Op eerste paasdag 2020 bleven de kerken leeg.

Ik woonde nog maar net met vrouw en twee jonge kinderen in Westbeemster. Een zeer bescheiden dorpskern, maar wel met een kloeke katholieke kerk. Het liep tegen Pasen en in de brievenbus vond ik een flyer van de desbetreffende kerkgemeenschap. Voor jonge kinderen werd in de parochie een leuke activiteit georganiseerd: palmpaasstokken versieren op eerste paasdag. Nou, dacht ik, wat een aardig idee.  

Ik heb de kinderen dezelfde dag nog aangemeld. We zouden op eerste paasdag toch thuisblijven en zagen het als een geschikte gelegenheid om de kinderen alvast aan hun nieuwe woonomgeving te laten wennen.  

Met tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie

Tegen tienen liep ik met zoon en dochter en tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie. Ze mochten aan een lange tafel bij de andere kinderen zitten en kregen uitleg. Ik bleef er even bij staan en toen ik zag dat ze enigszins op hun gemak waren liep ik richting deur. “Hoe laat kan ik ze weer ophalen?” vroeg ik in het voorbijgaan aan een van de begeleidsters. “Over een uurtje?” 

De vrouw trok haar wenkbrauwen hoog op. “Ophalen?” zei ze. “Nou, na de mis, hè.” 

Ik liep naar buiten met het angstige idee dat ik iets heel belangrijks over het hoofd had gezien. En toen ik de andere ouders naar de ingang van de kerk zag lopen begon er iets te dagen.  

“Hoe gaat de paasdienst hier in Westbeemster in zijn werk?” vroeg ik luchtig aan een vader die ik van school kende. 

“O,” zei hij, “zoals elke katholieke paasdienst. En na afloop komen de kinderen de kerk binnen met hun versierde stok en dan lopen ze achter de priester in een processie naar buiten. De palmpaasstokken brengen ze naar een oudere, eenzame inwoner van de Beemster.” 

Oh, nee toch, schoot het door me heen. 

Ik moest de gehele dienst uitzitten

Ik liet het allemaal rustig tot me doordringen. En ik kon er niet omheen. Ik moest mee de kerk in en de gehele dienst uitzitten. Het ergste moest zich dan nog aandienen: mijn kinderen onder ogen komen en uitleggen dat ik dit niet had voorzien. Even had ik nog de neiging om terug te rennen naar de parochie, naar binnen te lopen, te roepen dat hier een gruwelijke vergissing in het spel was en de kinderen mee naar huis te nemen, desnoods met half versierde stok. Ik had ze er hoogstwaarschijnlijk best een plezier mee gedaan, maar ook mijn brutaliteit heeft zijn grenzen.  

Ik had simpelweg geen keus. 

Het werd een lange, lange zit

Ergens achteraan, naast het middenpad, vond ik zuchtend een plekje in de kerk. Het werd een lange, lange zit. En na een uur draaien op de kiezelharde bank was het moment daar. Voorin klonk gestommel. Ik zat te ver om het allemaal te kunnen zien, maar zelfs ik begreep dat de kinderen nu binnenkwamen.  

De priester liep kennelijk naar het groepje toe en hield de kinderen om de beurt de microfoon voor hun neus, zodat ze hun naam konden zeggen. Bij één kind bleef het stil.  

Dat was mijn zoon. Die doet niets tegen zijn zin. 

Ik boog me snel naar hen toe

De processie werd over het middenpad ingezet en ze zouden vlak langs me lopen. Een stuk of twaalf kinderen, met een bont versierd kruis zo hoog mogelijk boven het hoofd. En mijn kinderen liepen ertussen. Mijn zoon keek neutraal voor zich uit. Het broodhaantje viel van zijn stok, maar hij liet het zo. Mijn dochter keek me vernietigend aan. Ik boog me snel naar hen toe. “Ik wíst het niet,” siste ik.  

Het had geen effect. 

Buiten werden op een lijst twee adressen van eenzame oudjes aangekruist. Die waren voor ons. Ze woonden allebei in hetzelfde ouderencentrum, dus dat konden we mooi combineren. 

Ze waren heel blij met de palmpaasstokken. En de kinderen waren pas blij toen ze weer thuis waren.  Toen konden ze eindelijk eieren zoeken.

Paaseieren.

Het mooiste geluid dat ik ken

De zon schijnt op deze thuiswerkdag en ik heb me met mijn laptop en telefoon op mijn dakterras geïnstalleerd – ja, je moet er in deze crisistijd toch wat van maken. Ideale werkomstandigheden. Op één ding na: aan het pand pal tegenover mij – op amper tweemaal de coronabreedte – wordt ook gewerkt. De dakpannen worden vervangen en om deze klus wat aangenamer te maken staat de radio keihard aan. Snap ik wel, want ik doe hetzelfde tijdens de afwas, maar ik ben hier niet geheel blij mee. 

Het punt is dat ik mij graag met stilte omgeef. Stilte is het mooiste geluid dat ik ken. Ik beluister de stilte bij voorkeur in een dichtbegroeid, donker bos. In Garderen bijvoorbeeld. Daar zijn de bossen echt donker, sinister bijna. De bomen schurken stijf tegen elkaar aan en smoren elk geluid – áls er al geluid klinkt.  

Bos.
Genieten van de stilte doe ik bij voorkeur in een bos.

Vanwege het huisarrest kom ik daar nu natuurlijk niet. Al zou het misschien nog best kunnen, want onverhoopte medeboswandelaars houd ik sowieso op minimaal anderhalve kilometer afstand in plaats van de voorgeschreven anderhalve meter. Maar zodra Nederland coronavrij is, die dag moet toch een keer aanbreken, rijd ik er graag weer eens heen. 

Rumoerig is het thuis nooit

Thuis ervaar ik de stilte ook. Mijn twee kinderen zijn heel rustig, dus rumoerig is het nooit. En als ze bij mijn ex zijn, en ik het rijk alleen heb, drapeer ik de stilte als een wattendeken behaaglijk om me heen.  

Meestal zet ik geen televisie of radio aan, maar geniet van de stilte. Voordeel is dat mijn woonplaats Purmerend niet bekend staat om zijn bruisende karakter. Ook in het centrum kan het heel stil zijn. Zeker nu. Ik beleef de stilte dan zo intens dat ik alleen het ruisen van het bloed in mijn oor hoor. En omdat mijn rechteroor een tikkie dicht zit, hoor en voel ik daar mijn ritmische hartslag. 

Bijpassende muziek

Soms draai ik bijpassende muziek. Bijvoorbeeld Passage van dwarsfluitist Chris Hinze. Het album is live opgenomen in een Indiase grot en een plaatselijk koor zingt mee. Huiveringwekkend mooi.

Stukje horen? Komt-ie. 

Of jazzmuziek van Chet Baker begeleid door de Belgische virtuoze gitarist Philip Catherine. Ze werken op enkele albums samen. Het aardige is dat er geen drummer en pianist meespelen, uitsluitend een bescheiden bassist.

Dat geeft een hoop rust. Luister maar: 

Beter bekend, zeker onder mijn leeftijdsgenoten, is Pink Floyd. Prachtige muziek, zeker uit de jaren zeventig. En ook hier zitten veel rustmomenten in. Met dank aan drummer Nick Mason. Hij ranselt zijn bekkens en trommels niet af, maar houdt een bedaard, traag tempo aan. Lekker lui, lazy en loom. 

Zoals hier:  

Muziek van een grote schoonheid. Net even anders dan de muziek die bouwvakkers graag lijken af te spelen. Ik heb het vaker meegemaakt: verbouwingen gevaarlijk dicht in de buurt en dan de radio knoerthard aan. Gewoon meteen vanaf een uur of zeven in de ochtend, hup de volumeknop helemaal open. En dan geen rustig kabbelende klassieke klanken, maar bij voorkeur van dat nerveuze gebonk. 

Ik zie ze als schimmen bewegen

De bouwlieden nabij mijn dakterras kan ik evenmin betrappen op een verfijnde smaak. Er staat de gehele dag een zender met een hoop herrie te tetteren. De heren werken op een huizenhoge steiger, die geheel is bedekt met een steigerdoek. Ik zie ze als schimmen bewegen. Tegen drie uur zit hun werkdag erop en dan bellen ze in het Volendams naar hun kantoor om hun belevenissen door te geven.  

Vanmiddag kon ik het woord voor woord volgen. 

“Aardig opgeschoten, hoor. Maar zó warm vandaag. Morgen zijn we hier eerder. Hoeven we niet de hele middag in die hitte te werken. We beginnen om zeven uur, misschien wel om zes uur.” 

Nou, dat belooft wat. 

Schimmen.
De bouwvakkers zie ik als schimmen bewegen.

Niks zo leuk als… niksen

Tja, noodgedwongen thuis blijven vanwege dat dekselse coronavirus. Als beroeps- en hobbymatig schrijver kom ik de dagen goed door. Tussendoor en in het weekend haal ik boodschappen, draai ik wasjes en ga ik met de stofzuiger door het huis.  En ik kijk meer dan normaal naar de televisie. Maar vaak doe ik ook… nou, ja… niks. Ik moet zeggen: daarin ben ik heel bedreven. En het bevalt me uitstekend, ik heb er lol in. Soms denk ik zelfs: er is niks zo leuk als niksen. 

Niksen.
Niksen. Ik ben er erg goed in.

Niksen is niet voor iedereen weggelegd. Dat zie en hoor ik om mij heen. Toen ik afgelopen maandag – de enige dag dat ik niet thuis werk – naar mijn kantoor in mijn woonplaats Purmerend reed, stond ik zomaar in een file. File? Ik snapte er niets van. Dat gebeurt mij nooit. Maar het daagde al snel. Ik reed op de weg die in een bocht langs de milieustraat voert. Tientallen auto’s stonden in een rij om afval te lozen. Om kwart over acht in de ochtend! Ik kon alleen maar aansluiten en afwachten. Gelukkig hoefde ik niet langs een bouwmarkt. Daar schijnt nu ook topdrukte te heersen. 

Ik pak een krant of boek

Nee, zelf ga ik deze dagen niet ineens opruimen en klussen. Zodra ik klaar ben met mijn werk of een blog heb geschreven, pak ik een krant of boek. En ik kijk televisie. Doe ik normaal gesproken niet zo vaak, maar nu wel.  

Op dit moment volg ik de gehele James Bond-cyclus – van Sean Connery tot Daniel Craig. Deze films heb ik al een stuk of 37 keer gezien, maar ze blijven leuk. En ik kijk op de zondag naar de films rond Jason Bourne. Die heb ik nog niet eerder gezien. En wat een vaart, wat een actie. En nu maar hopen dat Die Hard deel 1 tot en met deel weet ik veel ook weer voorbijkomen. 

Voetbalmarathon van 7 uur 

Er worden nu ook historische voetbalkrakers uitgezonden. Héérlijk. Afgelopen zondag heb ik met mijn zoon enorm genoten van een heuse voetbalmarathon. Niet minder dan 7 uur lang hebben we naar allerlei wedstrijden gekeken: eerst een terugblik van ruim 2 uur op het EK 1988, inclusief de rondvaart door de Amsterdamse grachten langs zwaar beladen woonboten. Daarna Nederland-Spanje – je weet wel, de dolfijnenduik van Van Persie. En tot slot, na een korte pauze om bij de snackbar om de hoek een eenvoudige, maar voedzame maaltijd te kunnen halen, Nederland-Brazilië, die geweldige ommekeer van een 0-1 achterstand naar een 2-1 winst. Heel Brazilië in tranen, heel Nederland in jubelstemming.  

Toch weer heel spannend allemaal, ook al was de afloop bekend. 

Bal.
Lekker met mijn zoon naar voetballen kijken.

Maar er zijn dus ook momenten dat ik niks doe. Ik wist van mezelf al dat mij dat moeiteloos afgaat.  

Ik was er al goed in toen ik nog in Hilversum werkte en dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein zat. In het begin nam ik nog wel eens een boek mee, maar van lezen is het amper gekomen. Liever keek ik gewoon maar een beetje naar buiten of voor me uit. Of ik sloeg aan het mijmeren. De reistijd brak me na verloop van tijd op, en toen nam ik de auto, maar toch vond ik het wel wat hebben, die lege uren. 

Trein.
Dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein. Het had zeker zijn plezierige kanten.

Hoe dat gaat, niks doen? Nou, gewoon, je gaat zitten en doet… niks. Meer is het niet. 

Nu moet ik wel zeggen dat ik een voordeel heb: anders dan heel veel mensen heb ik niet het idee dat ik doorlopend iets zou moeten doen, dat rusteloze, dat niet stil kunnen zitten. Ik ben van nature vrij passief. Dat maakt niets doen wel een stuk makkelijker. 

Bovendien ervaar ik het als heel ontspannend, dat niets doen. En het grappige is: het is ook heel inspirerend. Af en toe wellen zomaar, letterlijk vanuit het niks, ideeën en gedachten op. Onderwerpen voor blogs. Verrassende inzichten.

Soms ook dingen die ik zou kunnen doen. Of niet.

De mogelijkheden die videobellen biedt

De jazzy ringtoon van mijn mobiel klinkt op. Ik pak het toestel van de tafel om te kijken wie mij belt. Ha, mijn vriendin! Ik veeg wat met mijn duim over het scherm – ik ben niet zo handig – en ineens… verschijnt tot mijn grote verrassing haar gezicht in beeld, compleet met die brede, hartverwarmende lach. Rechtsonder, in een kleiner scherm, zie ik mijn eigen, verbaasde hoofd. “We zijn aan het videobellen,” verduidelijkt ze – soms heb ik wat uitleg nodig. “Even kijken hoe dat werkt.” 

Videobellen.
Videobellen met WhatsApp. Ideaal,

Nou, dat werkt uitstekend.  

Het was afgelopen week mijn videobeldebuut en zo houden we sinds die tijd contact met elkaar. We nemen het coronavirus immers serieus en bewaren tot nader orde meer dan de vereiste anderhalve meter afstand. Mijn astma speelt immers op, zoals altijd rond maart als warme en koude temperaturen elkaar afwisselen, en mijn vriendin loopt een beetje te snotteren. En nu kunnen we elkaar niet alleen horen, maar ook zien.  

Ik moet er natuurlijk wel op letten dat mijn hoofd is geschoren, want nu ik amper buiten kom schiet dat er soms bij in, maar daar houd ik rekening mee. 

Ik loop een paar lichtjaren achter op nieuwe ontwikkelingen en het videobellen had ik nog niet eerder ontdekt. Ergens wist ik wel dat het mogelijk was, maar ik ben niet zo dat ik dat dan meteen ga uitzoeken en uitproberen.  

Maar wat leuk is dit!  

Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken

Bellen met beeld erbij, zo ga ik het voortaan doen. In mijn privéleven, maar ook in mijn werk als journalist. Ik ga vaak op pad om mensen te interviewen. Dat komt er nu vanwege de coronacrisis minder van, dus ik ben meer aangewezen op de telefoon. Telefonisch interviewen vind ik echter niet ideaal. Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken en hun gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal kunnen meenemen. Dat helpt mij allemaal om een goed verhaal te schrijven. Met videobellen is dat probleem opgelost. 

Nu moet je daar geloof ik wel WhatsApp voor hebben. Maar er zijn vast meer manieren om via de telefoon face-to-face te kunnen praten.  

Geweldige aanbieding

Wat mij bijvoorbeeld leuk lijkt: videobellen met mensen die namens energiebedrijven, leveranciers van kunststof kozijnen en kranten contact met me opnemen omdat ze mij zo graag die geweldige aanbieding willen presenteren. Want het praat een stuk makkelijker als je elkaar in de ogen kunt kijken. Ja toch?  

Energiebedrijven zijn dol op me

Zeker energiebedrijven zijn dol op me. Ik heb een sluimerend tekstbureau en sta bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als ondernemer. Reden genoeg voor diverse energiebedrijven om me als potentiële klant op de bellijst te zetten. Maar ik heb geen bedrijfspand – ik werk op een laptop aan de tafel in mijn huiskamer – en blief dat lucratieve contract niet.  

Dat vertel ik ze dan ook. Soms meer dan één keer. Kennelijk wordt mijn naam na een vruchteloos telefoontje niet doorgestreept en blijft die als prospect op de lijst staan. Ik word dan na twee dagen door hetzelfde bedrijf doodleuk opnieuw gebeld om dezelfde reden en dan moet ik opnieuw nee verkopen.  

Zo’n telefoongesprek duurt overigens nooit lang. Soms zelfs héél kort. Dat gaat als volgt: 

Beller: ‘Bent u de eigenaar van Tekstbureau Prettig Leesbaar?’ 

Ik: ‘Ja.’ 

Beller: ‘Komt het gelegen dat ik u even bel?’ 

Ik: ‘Nee.’ 

Dan wordt het stil en is het gesprek eigenlijk al afgelopen. Maar met beeld erbij hebben we elkaar dan toch even gezien. 

Huisarrest – hoe kom je de dagen door?

Tja, we moeten als het even kan thuisblijven. Zo houden we het coronavirus zoveel mogelijk in toom. Ik houd me daar netjes aan, ook nu op deze zondag de blauwe hemel, dwars door mijn dakramen, naar mij lonkt. Vanmiddag alleen even naar de supermarkt, zigzaggend langs eventuele passanten, om avondeten te halen. Best een dingetje hoor, de hele dag thuis. Toch maar eens kijken hoe mijn twee huisgenoten met het huisarrest omgaan. Daar heb ik nu alle tijd en ruimte voor. 

 

Katten.
Mijn twee huisgenoten moeten sowieso binnen blijven.

Coos en Bliksem heten ze, de poes en kat die ik in september vorig jaar voor mijn kinderen heb gekocht. Het waren nog kittens toen ze zich bibberend in hun reismandje lieten stoppen, maar nu zijn ze een stuk groter. En ze voelden zich hier in Purmerend al snel thuis.  

Het zijn twee huiskatten en dat moet zo blijven. Zet ik onverhoopt de deur naar mijn dakterras op een kier en glippen ze er doorheen, dan is het maar de vraag of ik ze ooit nog terugzie. De weg naar het dak is zo gevonden en dan kunnen ze alle kanten op. 

Bang dat ik ze kwijt was

Op dag 2 was ik al bang dat ik ze kwijt was. We waren op een middag met ze thuisgekomen, hadden de reismandjes in de hal gezet met het deurtje uitnodigend open en we zouden het lekker aan onze nieuwe huisgenoten overlaten om over de drempel te stappen. Niets forceren. Er gebeurde niet veel. Coos had haar eigen mandje verlaten en was snel bij Bliksem in het mandje gekropen. Dat was de enige verandering die we hebben waargenomen.  

Ze bleven zitten waar ze zaten en ook toen we gingen slapen hebben we ze met rust gelaten. De volgende ochtend sloop ik op mijn sokken naar de mandjes. Even kijken hoe het met ze was.  

De mandjes waren leeg.  

Hoe vertel ik het de kinderen?

Ik stond op het verkeerde been. Ik zag ze nergens en evenmin hoorde ik gescharrel of geschuifel. Terwijl mijn appartement klein en overzichtelijk is. Ver konden ze niet zijn. 

En toen schrok ik me kapot. De dakraampjes in mijn huiskamer! Ze stonden een decimeter open! Ik zet ze elke nacht op die stand om frisse lucht binnen te laten en uit macht der gewoonte had ik dat weer gedaan. Ze zouden toch niet…  Nee, toch… Of… 

Mijn hart bonkte in mijn keel. Ze waren weg, ik was ervan overtuigd. Door de dakramen geglipt en terug naar huis. Even moest ik steun zoeken bij een muur. En daarbij dacht ik: hoe vertel ik het de kinderen? 

Drie keer heb ik wanhopig het hele huis doorzocht. Er was nog een kans dat ik ze over het hoofd had gezien. Zoeken is immers niet mijn sterkste kant; ik kan minutenlang voor de open koelkast staan voordat ik de fles ketchup vind die ik zoek. En die staat dan op ooghoogte voor mijn neus. Mannenkwaal. 

Pas toen mijn dochter wakker werd en zich bij me voegde, kwam het goed. Ze haalde de plint onder de keukenkastjes weg en ja hoor, we gingen op onze knieën zitten en keken recht in twee bange kattensnuitjes. Ze lagen daar veilig en waren niet van plan om hun schuilplek te verlaten. 

Maar dat was toen. 

Coos en Bliksem.
Coos en Bliksem voelden zich al snel thuis.

Het is nu maart en Coos en Bliksem lopen hier onbekommerd rond. Ze vinden het wel best zo. Af en toe kijken ze vanaf het Franse balkon de winkelstraat in, maar ze vertonen geen enkele drang of neiging om naar buiten te gaan. De coronacrisis raakt hen dan ook niet. Ze kunnen gewoon in het vertrouwde ritme blijven. 

Dat ritme is net even anders dan dat van mij. 

Vrij spel in de nachtelijke uren

Als ik slaap – ‘s nachts, mijn dagelijkse inzakkertje na het avondeten reken ik niet mee – komen Coos en Bliksem tot leven. Ze hebben vrij spel en soms hoor ik ze door de gang stuiven; die is ongeveer twaalf meter lang, dus daar kunnen ze wel wat mee. Af en toe valt er in huis iets om. 

Het is altijd weer een verrassing wat ik ‘s ochtends allemaal aantref. In de huiskamer liggen meestal kranten, pennen, mijn joggingbroek en placemats verspreid over de vloer. In de hal zijn schoenen uit het rek gehaald. Naast de kattenbak liggen meestal drie drollen op het zeil te smeulen. Dader: Coos. Dat is dan weer geen verrassing. Coos heeft het niet zo op de kattenbak, ook niet nadat ik die heb schoongemaakt. 

Ik word na het verlaten van mijn bed hartelijk begroet. Wat veel te maken heeft met het voerbakje, waarin nog maar een paar brokjes liggen. Ik pak de zak met voer uit de berging, rammel er theatraal mee en dan dartelen de twee enthousiast om mijn voeten. 

Uurtje donderjagen

In de loop van de ochtend dient zich een uurtje donderjagen aan. Coos en Bliksem stuiven achter elkaar aan, springen over stoelen, banken en tafel en gaan samen lekker rollebollen. Het gaat er soms stevig aan toe. 

Zo rond het middaguur zijn ze hun energie kwijt en gaan ze er rustig bij liggen. Of allebei op een eigen plekje of bij elkaar. Dan vinden ze elkaar in een innige omstrengeling. Voor hen is het dan bedtijd. Piepend en snurkend gaan ze een paar uur pitten.

Een innige omstrengeling.

Naarmate de avond nadert worden ze weer wakker en doen ze allebei hun eigen ding. Meestal zit ik met de kinderen, als ze niet bij mijn ex maar bij mij zijn, op de bank en dan voegen Coos en Bliksem zich gezellig bij ons. Bliksem zoekt de knuffel, Coos houdt iets meer afstand. En soms kijkt ze televisie. Zeker als ik naar het dierenprogramma Love Nature kijk. Met name katachtigen trekken dan haar aandacht. Logisch, het zijn verre verwanten.  

Coos kijkt graag naar Love Nature.

Zo vullen Coos en Bliksem hun dagen. Ook tijdens de coronacrisis.

En ik? Ik tik. Artikelen voor mijn krant, blogs, nieuwe hoofdstukken voor mijn boek, en ik ga meedoen aan verhalenwedstrijden. Wie lol heeft in schrijven, heeft een mooi excuus om thuis te blijven. 

Mijn werkplek.

De coronacrisis – er is ook leuk nieuws

Toiletpapier.
Tja, wc-rollen hamsteren – het gebeurt gewoon echt.

Zo. Net nog even naar de supermarkt geweest en de laatste wc-rollen uit het schap gegrist. Tien familiepakken twee laags papier met roze hartjes erop – niet helemaal mijn smaak, maar dat maakt nu even niet uit – en nog twee pakken gerecycled toiletpapier. Ik kan voorlopig voort. Schijt aan degenen die na mij komen en mistasten. Er schuifelde nog een oude vrouw met haar rollator richting schap, maar die was dus mooi te laat…  

Nee hoor, zo zit ik niet in elkaar. Geen denken aan. Maar kennelijk zijn er dus mensen die dit echt doen. Snap daar he-le-maal niets van. Brengt de coronacrisis dit nu echt bij mensen naar boven? Ik sprak gisteren in mijn supermarkt een jonge medewerker die voor de zesde keer schappen aan het vullen was. Of ze dat gehamster hadden verwacht, vroeg ik. En ja, ze hadden het verwacht. In andere landen gebeurt het immers ook. Ze hadden alleen niet verwacht dat het zó snel en zó fanatiek zou gebeuren. 

Mooie, hartverwarmende dingen

Als redacteur van een lokale krant heb ik ook beroepsmatig met de coronacrisis te maken. Ik focus me op het goede nieuws. En ik hoef niet lang of ver te zoeken. Er gebeuren immers ook mooie, hartverwarmende dingen.  

Dat bleek al snel toen ik de Facebookpagina’s bekeek van de twee dorpen waar mijn krant uitkomt: Landsmeer en Oostzaan. Meteen nadat landelijk het sein op rood ging en allerlei deuren in het slot vielen kwamen de eerste berichten: oproepen om boodschappen te halen, om bloemen naar eenzame ouderen te sturen en – later – om zorgverleners massaal te steunen.  

Ik heb me erin gemengd om diverse acties via mijn krant, website en Facebookpagina te promoten. Een schone taak. 

En zo kwam ik in contact met Nathalie Hagenstein. 

Nathalie.
Nathalie Hagenstein weet wel raad met de vrije tijd die ze nu heeft.

Nathalie Hagenstein woont in Landsmeer en werkt nu noodgedwongen thuis. Veel werk is er nu echter niet, en dus heeft ook zij via Facebook aangeboden boodschappen te halen. Ze had meteen een dankbare ‘klant’. Nathalie heeft voor zestig euro boodschappen voor haar gehaald en heeft daarna géén tikkie gestuurd. “Want,” stelt ze, “wat is zestig euro op een mensenleven?”

Ze zou het zó weer doen. En niet omdat ze uit is op complimenten of een bedankje. “Nee,” zegt ze, “Ik wil alleen een stroom van goede daden teweegbrengen. Met de coronacrisis hebben we nu eenmaal te dealen. Maar stop met zeuren over lege schappen. Ga iemand helpen.” 

Iets om over na te denken.  

Een extra shout out naar de zorg

Nee, Nathalie maakt zich niet druk om de lege schappen in de supermarkten. Wel om degenen die dezelfde schappen zes keer per dag vullen. En om degenen die in de zorg werken en het uiterste van zichzelf vergen. “We moeten meer stil staan bij de mensen die zich zo inzetten. Ik ben voor een extra shout out naar de zorg.” 

Uiteraard heeft ze meegedaan aan de massale, landelijke applausactie om de waardering voor zorgmedewerkers dik te onderstrepen. Voor de zekerheid had ze haar dorpsgenoten via apps en mails aangespoord om hetzelfde te doen. 

Inzamelactie voor de Voedselbank Zaanstreek

Toch gaat Nathalie nu pas echt los. De Voedselbank Zaanstreek dreigt binnen afzienbare tijd zonder spullen te zitten. Want omdat de vrijwilligers van voedselbanken niet meer bij supermarkten voor de deur staan, stokt de aanvoer. En dus zet Nathalie zelf een inzamelactie op touw. Woon je in de buurt van Landsmeer en doe je mee? Neem dan contact met haar op via nathalie173@hotmail.com

Kratten voedselbank
Nathalie start een inzamelactie voor de Voedselbank Zaanstreek.

Mooi mens, Nathalie. “Saamhorigheid is belangrijker dan wc-rollen,” zei ze nog. 

Als ik werkelijk al die wc-rollen had gekocht, had ik ze nu op een holletje teruggebracht. Allemaal.

VisZEN

Vissen
Zo heerlijk, kijken naar vissen die domweg maar wat ronddobberen.

Voor mij is niets zo rustgevend en mindful als wandelen door de natuur. Ik richt mijn aandacht dan vooral op de dieren die ik zie of hoor. Ik kan daar helemaal in opgaan. Ik luister minutenlang naar de specht die met zijn snavel op een boomstam hamert. Volg de slak die op zijn dooie akkertje een fietspad oversteekt. Bekijk aandachtig hoe de spin tussen een paar takken zijn web weeft.

Ik word daar nogal zen van.

Maar het leuke is: voor een dergelijke beleving hoef ik niet eens de deur uit. Want ik kijk bijna dagelijks naar een prachtig televisieprogramma: Love Nature heet het. Het programma toont continu de mooiste natuurdocumentaires. Zonder reclame – ja, dat bestaat! – en op de achtergrond rustige muziek en een bedaarde commentaarstem.

De beukbaviaan, de grotgems en de lamzaklibelle

De onderwerpen lopen wijd uiteen. Van de territoriumdrift van de Braziliaanse beukbaviaan en de trektochten van de grauwe grotgems tot het jachtinstinct van de Siciliaanse sidderslang en het slome paargedrag van de lamzaklibelle.

Ik vind het allemaal even boeiend.

Maar waar ik het meest zen van word: vissen. Beter gezegd: visZEN. Vaak is de wereld onder water het decor van het programma. Dan ga ik op het puntje van mijn stoel zitten. De meest vreemdsoortige en soms bontgekleurde vissen trekken voorbij. En altijd zo heerlijk ongehaast. Dan valt alles om mij heen weg.

Vis
De lionfish. Mooi toch?

Soms moet ik vreselijk lachen als er een vis voorbij zwemt. Zo’n slome duikelaar bijvoorbeeld.

Vis
Sloom type met bijpassende lodderige blik. Geweldig!

En ik barst echt in lachen uit bij dit soort vissen:

Vis
Niet geheel in zijn hum.

Bókchagrijnig is-ie. Waarschijnlijk een slechte, korte nacht gehad en nog lang niet uitgeslapen.

Of ze hebben best wel trek.

Vis
De morayvis. Kan zomaar opduiken.

Ik kan dit tv-programma echt aanraden.

Ben, Bert en Bas
Of koop een vissenkom met goudvissen. Heb ik ook gedaan. Drie goudvissen zwommen rond – Ben, Bert en Bas. Regelmatig ging ik er rustig voor zitten en staarde gedachteloos naar hun onbekommerde gedobber.

Bas was wel een buitenbeentje. Hij zwom altijd alleen, terwijl de andere twee gezamenlijk optrokken. Vaak zwom hij recht op de glazen wand af, stootte zijn neus, schrok, deinsde terug en… deed daarna precies hetzelfde. Niets geleerd. Bert en Ben zagen het gebeuren en wisselden dan uit hun ooghoeken een blik van verstandhouding met elkaar.

Af en toe was de sfeer in de kom te snijden. En op een zekere ochtend dreef Bas op zijn rug. Zeer dood. Nooit zal ik weten wat er is gebeurd.

Dus misschien is het toch beter om het bij Love Nature te houden.

De sollicitatiestunt die mijn leven een boost gaf

Het is alweer vijf jaar geleden, maar ik pluk er nog steeds de zoete vruchten van: de sollicitatiestunt die mij na ruim twee werkloze, onzekere jaren een baan opleverde. Het zorgde vooral voor een boost waardoor ik als persoon enorm ben gegroeid. Mijn verhaal heb ik op donderdag 27 februari tijdens een goed bekeken UWV-webinar, getiteld ‘Lang werkloos: zo pakte Marcel (58) het aan’,  verteld. Ik heb na afloop tips gegeven en vragen beantwoord. De eerste positieve reacties kwamen al snel binnen.  

Webinar met UWV
Vooraf de strategie doorspreken met UWV-webinarspecialist Tim Sachse.

Het leven leek me toe te lachen toen ik op 21 maart 2012 op straat kwam te staan. Boventallig verklaard wegens bedroevende bedrijfsresultaten. Aan 24 jaren als redacteur/journalist bij een uitgever van lokale kranten kwam abrupt een eind.  

Jammer, maar ik kon er goed mee leven. De kranten werden immers dunner en er dienden zich steeds meer momenten aan dat ik he-le-maal niets te doen had. Verschrikkelijk. Nee, dan liever boventallig. Eerst thuis nog even genieten van het lentezonnetje, beetje lummelen en rommelen en na verloop van tijd een nieuw baan of misschien wel een eigen tekstbureau. Haast was niet geboden. Ik werd nog een jaar doorbetaald en kreeg los daarvan een leuke premie mee. Lekker toch? 

Lente
Het was lente en alles zag er zonnig en fleurig uit.

Niet dus. 

Een gure herfst brak aan. Sollicitaties ketsten af. Het ontbrak me aan durf om een eigen onderneming op te zetten. De onzekerheid sloeg toe. Geen idee wat ik wilde. Ik schoot met hagel en het waren allemaal missers. Ondanks de professionele begeleiding van een jobcoach. Thuis zitten was nog wel leuk – zeker omdat de kinderen nog klein waren, want die kon ik dan mooi naar school brengen en weer ophalen – maar ook dat veranderde.  

Onweer
Het leven zag er ineens minder zonnig uit.

Heel confronterend was een zekere ochtend aan het begin van een sportdag op school. De dag werd geopend met een jumpclinic op het schoolplein. Ouders bleven even hangen om te kijken en mee te doen en ik stond er natuurlijk ook bij. Maar toen liep de ene na de andere ouder weg, totdat ik als enige over was. En ik dacht ineens: tja, díe gaan allemaal naar hun werk. Zij wel. Een pijnlijke constatering. 

Ik solliciteerde dapper door. Zonder resultaat. In twee jaar tijd werd ik twee keer voor een gesprek uitgenodigd. Het werd twee keer niets.  

Ik zat in de WW

Ik zat inmiddels in de WW – iets wat ik nog nooit voor mogelijk had gehouden – en daar moest ik nog blij mee zijn. Want nog twee maanden en dan zou ik geen recht meer hebben op een uitkering. En voor een bijstandsuitkering zouden we niet in aanmerking komen. De nood was hoog, het werd buitengewoon lastig om de maandelijkse hypotheek te betalen, ik stond dagelijks stijf van de spanning, mijn huwelijk stond op instorten. Met mijn grote teen tipte ik de bodem van de put aan. 

Er móest iets gebeuren. En toen kwam de kentering. 

Ik liep met het lood in mijn schoenen een uitzendbureau binnen, schoof aan bij de eerste de beste medewerkster die vrij was en vertelde mijn verhaal. Na tien minuten onderbrak ze me. Ze boog naar me toe en zei: ‘Meneer Van Stigt, u hebt nu al drie keer gezegd dat u al 54 jaar bent.’ 

Ik had het niet gemerkt. 

En toen kwam het besef: ik wierp zelf mijn leeftijd als obstakel op. Ik gooide zelf alle deuren in het slot. Zo zou het natuurlijk nooit gaan lukken. 

Ik had toen nog maar één zetje nodig om het roer volledig om te gooien. En dat zetje diende zich snel aan. Ik had een aantrekkelijke vacature gezien en mailde een enthousiaste motivatiebrief en aangepast CV door. Binnen drie minuten zat er een afwijzing in mijn inbox.  

Mijn reactie kan ik nog zo terughalen, alsof het vanochtend is gebeurd. Ik sloeg met mijn vlakke hand op de tafel en riep: “En nu ben ik er klaar mee!” 

Al mijn schroom, gêne, reserves en bescheidenheid kieperde ik overboord. En toen zette ik deze open sollicitatie op Facebook en LinkedIn. 

Sollicitatie
Deze spontaan opgezette advertentie is op Facebook ruim 9300 keer gedeeld.

Het werd een nooit verwacht succes. Het volgende viel mij ten deel: 

  • Op Facebook werd mijn post ruim 9300 keer gedeeld 
  • Op LinkedIn begon het connectieverzoeken te regenen; wekenlang stond ik bovenaan met de meeste activiteit  
  • Mijn mailbox stroomde vol 
  • Ik werd doorlopend gebeld 

De berichten varieerden van ‘Wat een lef!’ en ‘Die man verdient een baan!’ tot ’Veel succes!’ en ’Ik leef met je mee!’ 

Hartstikke leuk natuurlijk, maar… daarmee had ik nog geen baan.  

Geen beginnen aan

Maar het zou allemaal goed komen. Diverse bedrijven en recruiters benaderden me en het leidde tot diverse gesprekken. Het hadden er meer kunnen zijn, als ik het overzicht en de rust zou hebben gehad om alle reacties door te nemen – vergelijk het maar met de zak brieven die sommige deelnemers van ‘Boer zoekt vrouw’ aangeleverd krijgen. Geen beginnen aan. Ik heb zelfs nog uitnodigingen afgeslagen en gesprekken gecanceld. Het was gewoon te veel. 

Uiteindelijk een vaste baan

En ja, uiteindelijk leverde de sollicitatiestunt mij een vaste baan op. De toenmalige HR-manager van NCOI Opleidingen – Kim Helmer, ik ben haar eeuwig dankbaar – had mijn post op Facebook gezien. Het was haar missie om op een andere manier medewerkers binnen te halen en mijn advertentie paste precies in het plaatje. Ik ben gebeld en na twee gesprekken was het beklonken. Op 1 december 2015 begon ik bij NCOI Opleidingen als commercieel tekstschrijver.  

“Hoeveel uur wilt u werken?” was mij nog gevraagd. 

“Nou,” zei ik, “doe maar 40.” 

Vacature copywriter

Ik was blij dat ik eindelijk aan de slag kon. En trots op de manier waarop het mij was gelukt. Maar… ik vond het werk niet erg leuk. Daar kon ik niet omheen.  Nee, dan sprak de vacature van copywriter die ik op het intranet zag staan me veel meer aan. Maar om nu na twee dagen al intern te solliciteren… Dan moet je wel érg brutaal zijn. 

Na vier maanden begon het inwendig toch iets te veel te wringen. Ik solliciteerde en… verhuisde op 2 mei 2016 naar de afdeling Marketing om copywriter te worden. Ontzettend leuke baan.  

Het werk waar ik het meest blij van word

Maar niet zo leuk als journalist bij een lokale krant – het werk waar ik het meest blij van word. De kans om terug te keren naar mijn oude vak, ook nog eens in mijn woonplaats Purmerend én met een paar collega’s die ik nog kende, deed zich in september vorig jaar voor. Ik heb gesolliciteerd en ben aangenomen. Het sollicitatiegesprek met de hoofdredacteur vond plaats op een picknickbank voor de deur van het NCOI-kantoor. Hij was naar me toe gekomen en ik vond het wel iets hebben.  

Het gehele verhaal heb ik verteld tijdens het UWV-webinar. Erg leuk om te doen. Er werden live diverse vragen gesteld. De mooiste vraag: ‘Waar ben je het meest trots op?’ Mijn antwoord: dat ik het heb aangedurfd om op deze ongebruikelijke en openhartige manier te solliciteren. Dat ik doelbewust alle schroom achter me heb gelaten. Het heeft me veel gebracht. 

Zon
De zon is weer gaan schijnen, uitbundiger dan ooit tevoren.

Wat ik gemeen heb met Paul McCartney

Paul McCartney
Net als ik heeft de beroemde Brit TM beoefend – en misschien doet hij dat nog steeds.

Sinds 7 jaar volg ik qigonglessen bij ChiNeng Qigong Centrum Purmerend. Een voor mij ideale mix van gymnastiek, yoga en meditatie. Mijn levensenergie (qi) stroomt daardoor heerlijk door mijn lijf en daar heb ik veel baat bij.

Lang voordat ik aan Qigong begon heb ik diverse vormen van yoga en meditatie uitgeprobeerd. Ik was zoekende – waarnaar, dat weet ik niet meer, laat staan dat ik weet of ik heb gevonden wat ik zocht – en kwam onder meer in aanraking met Transcedente Meditatie (TM). Het was jaren geleden bijzonder populair vanwege zijn bewezen heilzame effecten en simpele techniek. Ik ben dit gaan beoefenen en bleek me in goed gezelschap te bevinden. Ook grootheden als Paul McCartney, Clint Eastwood en Oprah Winfrey waren enthousiaste TM’ers. Nou, moet ik nog meer zeggen?

Maharishi Mahesh Yogi – een goeroe met geld

De grondlegger van TM was Maharishi Mahesh Yogi. De Indiër had zijn geboorteland verlaten en woonde in een peperduur hoofdkwartier in Laag Soeren. Een goeroe met geld; daar heb je er volgens mij niet zo veel van. De goede man verdiende veel lof, dat zeker, maar om nou in elke leslocatie grote foto’s van hem op te hangen en af en toe een geurig boeketje bloemen en vers fruit mee te moeten nemen als blijk van verering – dat vond ik wat overdreven. De positieve effecten ten spijt ben ik ermee gestopt.

Bloemen
Bloemen meenemen ter verering – dat vond ik wat overdreven.

De ‘cool breeze’ van Sahaja Yoga

Een folder die ik in mijn brievenbus vond zette me op het spoor van een cursus Sahaja Yoga. Ik heb het geprobeerd. Bij Sahaja Yoga draaide het om een ‘cool breeze’ die je door je ruggengraat kon laten gaan. De kilte heb ik daadwerkelijk ervaren. Maar dat kwam vooral door het echtpaar dat deze lessen verzorgde. Ze straalden net zo veel warmte uit als het vriesvak van mijn koelkast.

Dat was nog niet eens het ergste.

Sahaja Yoga was volgens hun onwrikbare overtuiging de enige yogavorm die werkte. Punt. Sommige deelnemers brachten er voorzichtig tegenin dat zij ook met andere yogavormen positieve ervaringen hadden. Het werd hoofdschuddend als een ernstige misvatting afgedaan.

De twee liepen rond in een kleurig gewaad. Een bloemenkrans sierde hun hoofd. En o ja, in elke les toonden ze een film van de bedenkster van Sahaja Yoga. We hoefden nog net niet voor haar te knielen. Na drie lessen ben ik gestopt. Het ging me net even te ver.

In een kringetje na de reiki-les

Ook heb ik een reiki-les gevolgd. Heel aangenaam, maar aan het eind moesten we in een kringetje staan, elkaar bij de hand nemen en een liedje zingen om reiki te bedanken. Kijk, en dat had voor mij nou weer niet gehoeven. Het bleef bij die ene les.

Reiki
Tja, reiki. Heilzaam, maar één les was voor mij genoeg.


De qigong-lessen – wat een verademing

Nee, dan de lessen qigong die ik volg. Niks bewieroking, niks rare rituelen, niks paarse gewaden en bloemenkransen. De leraar heet gewoon Hans en hij brengt ons bij hoe we het meest uit de eeuwenoude Chinese bewegingsleer kunnen halen. Mooie oefeningen, grapje tussendoor en zinvolle informatie. Informatie die we, zo benadrukt hij regelmatig, niet blind voor waar moeten aannemen. Wat een verademing.

En na afloop gaat iedereen blij en vol nieuwe energie naar huis.