Crisis zonder kopzorgen

Kale kop
Geen haar, dus ook geen haarproblemen.

Wekenlang hielden de kapsalons hun deur noodgedwongen gesloten. Vervelend voor de eigenaars, vervelend voor de klanten. Voor mij was het geen probleem. Het voordeel van een vrijwel kale kop, die met een tondeuse goed te onderhouden is. Maar ik moet me er niet te gemakkelijk vanaf maken. 

Als tiener was ik gezegend met een weelderige bruine haardos. Na mijn twintigste ook, maar rond mijn dertigste liep het mis. De tand des tijds begon aan mijn schedel te knagen en dat leidde tot inhammen die stukje bij beetje dieper werden. Ik was er niet zo heel erg blij mee. Eigenlijk vond ik het een ramp.  

Meer angst voor de kapper dan voor de tandarts

De ingezette kaalslag kwam vooral aan het licht zodra ik in de kappersstoel plaatsnam en in de spiegel keek. De kapper boezemde me vooraf meer angst in dan de tandarts en ook voor de blindedarmoperatie die ik ooit heb ondergaan was ik aanmerkelijk minder nerveus.  

Op het moment dat het schort werd omgeknoopt trok mijn maag zich samen van de spanning. Mijn hart begon hevig te bonzen zodra de kapster mijn haren nat maakte en het hele zwikkie genadeloos naar achteren kamde. Dan constateerde ik dat de inhammen wéér dieper waren geworden. En dat binnen een paar maanden. Ik vreesde voor de toekomst. En dacht wanhopig: hoe moffel ik die kale plekken weg? 

Historische middag

Ik legde het op een – naar later bleek – historische middag voor aan de kapster van Cosmo, waar ik altijd kwam. Het was een jonge meid, maar ze begreep haarfijn waarmee ik worstelde. Ze keek me in de spiegel vol compassie aan, toverde een meelevende glimlach op haar gezicht en hield voor het effect haar hoofd en beetje schuin. En toen kwam ze met een verrassend, zelfs onthutsend advies. “Doe uw haar gewoon lekker kort. Dat staat veel leuker.” 

Ik besefte dat ze gelijk had

Ik moest het even laten op me laten inwerken. Aan deze optie had ik nog nooit gedacht. De kapster snapte in al haar jeugdige wijsheid dat ze nu even niets moest zeggen of doen. Ik keek mezelf ernstig en bemoedigend aan en liet mijn ogen langs de inhammen dwalen. En ik besefte dat ze gelijk had. Een gevoel van opluchting maakte zich van me meester. Ik keek haar aan, lachte breeduit en zei: “Je hebt helemaal gelijk. Doe maar kort. Wat kan mij het ook schelen.” 

Probleem opgelost

De kapster lachte hartelijk terug en ging als een schapenscheerder aan het werk. Dikke plukken haar die elders op mijn hoofd groeiden – het is in het leven soms oneerlijk verdeeld – dwarrelden op de grond en uiteindelijk hield ik een dun kapsel over. En ik vond het hartstikke leuk. Probleem opgelost. 

Ik liet de kapster achter met een dikke fooi uit dankbaarheid – het liefst had ik haar ook nog hevig gezoend, maar ik hield me in – en liep blij neuriënd en met verende tred de kapsalon uit. Op weg naar mijn auto bekeek ik mijn nieuwe hoofd met gepaste trots in elke etalageruit die ik passeerde. 

Kleine onderhoudsbeurt

Vanaf dat moment ging ik alleen nog naar de kapper voor een kleine onderhoudsbeurt. Maar ook dat hoefde al snel niet meer. Ik trouwde en mijn echtgenote bleek heel bedreven te zijn met de tondeuse. En toen mijn dochter oud genoeg was, nam zij de wekelijkse behandeling over. 

Standje stoppel

Tegenwoordig neem ik mijn haar en baard, want die groeit wel, zelf onder handen. Ik zet mijn tondeuse op standje stoppel en houd voor mijn hoofd- en gezichtsharen dezelfde lengte aan. Wat volgens mijn bescheiden mening heel netjes en mooi staat. Van nature ben ik wel wat gehaast en slordig en dat zie je soms terug op mijn hoofd: dan is er een deel aan mijn aandacht ontsnapt of ben ik er met de tondeuse wat te lichtzinnig overheen gegaan. Niet dat er dan dikke plukken op mijn hoofd overeind blijven staan, want die tijd ligt ver achter me, maar omdat ik een vrij donkere haarkleur heb is het verschil duidelijk te zien.  

Probleem is ook dat ik met de tondeuse in de weer ga voordat ik ga douchen. Ik heb mijn lenzen dan nog niet in en dan zie ik het allemaal niet zo scherp. Maar ook dat heb ik opgelost. Later – okselfris gedoucht en met lenzen in – check ik mijn hoofd nog even en werk ik onverhoopt vergeten stukken bij. 

Heerlijk, als je jezelf kunt redden. Vooral tijdens een crisis van corona-omvang profiteer ik daarvan.    

Tondeuse
Dankzij de tondeuse heb ik geen kapper nodig.

Mijn valkuil: schrijffoutten over het hoofd zien

Toetsenbord
Een oud brilletje. Ik behelp me ermee, want ik moet toch iets.

Bij de timmerman thuis klemmen de deuren, de longarts rookt als een schoorsteen en de mindfulnesstrainer schiet in de stress als het op een zonnige dag ineens begint te regenen. Als ondernemer of specialist moet je natuurlijk wel zelf het goede voorbeeld geven, anders kom je niet zo geloofwaardig over. Zelf heb ik me ooit bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onder de bedrijfsnaam Tekstbureau Prettig Leesbaar. Het leidt al geruime tijd een sluimerend bestaan. Maar mocht ik de draad ooit weer oppikken, dan moet ik er wel voor waken dat ik niet in mijn eeuwige valkuil donder: te snel willen leveren en daardoor schrijffouten over het hoofd zien. 

Ik heb ooit naast een aannemer gewoond. Over de staat van de werkplaats heb ik me altijd wat verbaasd: de regengoot lekte, de verf op de raamkozijnen was afgebladderd en als het stormde waaiden dakpannen en zelfs complete boeidelen mijn tuin in. Niet echt een visitekaartje. 

Geen haar beter

Maar laat ik eerlijk zijn: zelf ben ik geen haar beter. Jaren geleden heb ik Tekstbureau Prettig Leesbaar opgezet om incidenteel wat bij te klussen. Ook schreef ik levensverhalen.  En omdat ik van nature wat gehaast en slordig ben bleven er in mijn teksten regelmatig schrijffouten staan. Pas als ik het geduld kon opbrengen om een tekst uit te printen, een dagje te laten rusten en er daarna een frisse blik op te werpen kwam ik ze tegen en haalde ik ze er als de sodemieter uit. En dan vroeg ik mezelf vertwijfeld af waarom ik die fouten niet meteen had ontdekt. 

Veelvuldig gered

In mijn vorige baan, copywriter bij NCOI Opleidingen, werd ik veelvuldig gered. Alle copywriters laten daar hun teksten door een collega nalezen en dat kwam me niet slecht uit. Zo hoefde ik nooit bang te zijn dat er een mailing van mijn hand de deur uit ging met storende fouten in de tekst. Het voelde voor mij als de rijlessen die ik vroeger heb gevolgd. Ik kon mezelf gemakkelijk een stuur- of schakelfoutje veroorloven. De instructeur greep toch wel in. 

Zelf verantwoordelijk

Nu ik terug ben bij mijn oude vak, journalist/redacteur bij een uitgeverij van lokale kranten, sta ik er helemaal alleen voor. Ik maak op eigen kracht een krant die in Landsmeer en Oostzaan uitkomt en ben zelf verantwoordelijk voor de redactionele inhoud. Dus ook voor eventuele fouten. 

Ik moet zeggen dat het me allemaal goed afgaat. Nu er niemand over mijn schouder meeleest, ben ik meer gefocust, meer geconcentreerd. En vooral rustiger, wat misschien wel met mijn leeftijd te maken heeft. 

Peperdure lenzen

Lastig is het wel dat ik niet al te scherp zie. Ik draag peperdure, speciale lenzen, waarmee ik op honderd meter afstand met gemak een tor op een muur zie lopen. Een boek, de ochtendkrant of een tekst op mijn computerscherm lezen, daar heb ik dan weer een leesbril voor nodig. Maar dan willen de letters weleens voor mijn ogen dansen, dus ideaal is dat ook weer niet. 

Ik heb een ander probleem

Dat probleem heb ik nu niet. Ik heb een ander probleem. Mijn lenzen heb ik twee weken geleden terzijde gelegd, omdat ik last heb van mijn ogen – die dekselse pollen, vermoed ik. Ik behelp me nu met een brilletje dat ik tien jaar geleden droeg en uit voorzorg altijd heb bewaard. Erg veel zie ik daar niet mee, maar het is tenminste iets. Sterker nog: het brilletje zakt standaard naar het puntje van mijn neus, en dan tuur ik over het montuur heen. Ter compensatie zet ik de tekengrootte op het formaat Chocoladeletter en dan is het allemaal wel te doen. En ik lees alles woord voor woord rustig na. 

Cruciale fout

Nee, kapitale blunders verwacht ik niet meer. Ook niet als ik ooit mijn tekstbureau weer nieuw leven zou inblazen. Zeker zal ik niet meer de blunder maken die ik jaren geleden, in mijn vorige werkzame leven bij een krant, heb gemaakt. Een artikel over een kraslotenactie bij een lokale sigarenzaak. Met de ‘K’ op het toetsenbord gevaarlijk dicht bij de ‘L’ lag een cruciale fout op de loer. En zo kondigde ik de kraslotenactie in grote letters aan als krasklotenactie. 

Een comfortabele coronacadans

Steeg.
Stille steeg. Deze keer ook tijdens Koningsdag.

Gezellig babbelend wandelden mijn dochter en ik rond elf uur ‘s avonds door de steeg naar mijn woning. Onze aandacht richtte zich vanzelf op een tienerjongen die tegen de muur schuin tegenover mijn portiekdeur stond te plassen. Geen zweem van gêne. Hij keek alleen wat verstoord op toen hij voetstappen hoorde. “Ja, ga jij even lekker in mijn steeg staan pissen, idioot!” riep ik hem in authentiek Amsterdams toe. Werd-ie nog brutaal ook. “Sodemieter op,” reageerde hij, terwijl hij zijn gulp dichtritste en zich uit de voeten maakte. Het liefst had ik hem bij zijn nekvel gepakt en hem even stevig ‘met zijn neus op de feiten gedrukt’. Had makkelijk gekund. Hij oogde vrij tenger en ik was nogal boos.

Dit gebeurde een paar maanden geleden. Toen mepte het coronavirus nog niet om zich heen, waren de horecazaken nog gewoon in bedrijf en werd mijn steeg door rondhangende jongeren als openbaar toilet gebruikt. Niet dat dat nou doorlopend voorkomt, maar toch. Vervelend is het wel. Zoals ik het ook best vervelend vind dat ik laatst mijn fiets en die van de kinderen aantrof met een lek gestoken achterband.  

Doodstil in mijn woonomgeving

Van dit alles heb ik nu geen enkele last. Zo brengt de coranacrisis, hoe ingrijpend ook, toch positieve effecten met zich mee. Ook de Koningsdag, die normaliter garant staat voor rumoer door jongeren die in de nachtelijke uren dronken door de stad zwalken en uitgerekend in mijn steeg een plaspauze inlassen, is nu gladjes verlopen. Het was doodstil in mijn woonomgeving, het centrum van Purmerend. Want wat heb je als jongere in Purmerend te zoeken als alle kroegen stijf gesloten zijn? Inderdaad, niet zo gek veel. 

Meer dan geslaagde Koningsdag

Het was voor mij zelfs een meer dan geslaagde Koningsdag. Zonnig, briesje en heerlijk rustig. Eigenlijk zoals het al een paar weken is. Ik ga moeiteloos mee in het ritme dat de crisis ons oplegt. Een comfortabele coronacadans. Zo ervaar ik het.  

Voor wie het weten wil: Koningsdag begon voor mij al vroeg.  Rond zes uur schoot ik fit en monter wakker, met veel zin in de dag die voor mij lag. Om halfzeven klapte ik, fris gedoucht, haartjes nat, koffie en bak Griekse yoghurt met muesli naast me, mijn laptop open. Even een paar uurtjes werken voor mijn krant, want dat gaat – gelukkig – altijd door. Twee verhalen geschreven en een paar doorgemailde persberichten bewerkt en toen was ik klaar. De computer kon uit, de deur naar mijn dakterras open. 

Spannende thriller

Ik was net begonnen aan een spannende thriller van Michael Robotham, een van mijn favoriete schrijvers, en heb die vrijwel in één ruk uitgelezen. Ik heb het boek alleen rond zes uur even weggelegd om een kant-en-klare maaltijdsalade in een schaal te kieperen en op te eten. Daarna vatte ik het lezen weer op. Het was bijna acht uur toen ik bladzijde 538 omsloeg – de laatste – en ik het boek tevreden, maar ook met spijt omdat het onverbiddelijk uit was, dichtklapte. Topdag. En toen was de avond nog maar net aangebroken.  

Michael Robotham.
Vrijwel in één ruk uitgelezen. Diepe buiging voor de auteur.

Mijn twee huisgenoten – poes Coos en kat Bliksem – hebben deze dag helaas weinig lol aan mij beleefd.  Ze mogen niet naar buiten, want anders vrees ik dat ze via de goot op het dak springen en ik ze nooit meer terugzie, en dus zaten ze aan de andere kant van het raam op de lage schoenenkast. Met grote ogen, vol onbegrip, staarden ze door het raam naar hun baas, die onafgebroken in één houding op een stoel met een boek in zijn handen zat. Binnen hun gezichtsveld, maar buiten hun bereik. 

Katten.
Zij binnen, ik buiten. Leg dat maar eens aan ze uit.

Eenmaal binnen – zodra de zon rechts achter een kerktoren duikt wordt het ineens erg fris – heb ik het helemaal met ze goedgemaakt. Knuffel- en ravotmomentje ingelast, brokjes en water bijgevuld, en toen waren ze weer tevreden. 

Tja, de coronacrisis houdt ons thuis en ik ben er uitstekend tegen bestand. Ik doe weinig dingen anders dan normaal en heb nergens last van. Maar misschien ben ik wel gewoon enorm saai. Dat kan natuurlijk ook. 

De leukste club van Nederland

Het begon te regenen. Harder en harder. Bakken hemelwater gutsten over ons heen. Samen met de andere deelnemers zochten mijn vriendin en ik beschutting onder het dichte gebladerte van de bomen. Het had geen enkele zin; de regen ging er dwars doorheen. De natuurgids vertelde intussen vrolijk verder over de vleermuizen die zich in de heemtuin, een groene parel aan de rand van Purmerend, ophouden. Maar het werd te bar. Hij brak de excursie af, en de bijdrage hoefden we niet te betalen. Alsof het allemaal zijn schuld was. Sympathiek gebaar. Maar sowieso vind ik het IVN de leukste club van Nederland. 

Vleermuizen.
Helaas geen vleermuis gezien; de excursie viel in het water.

Het IVN – voluit het Instituut voor Natuureducatie – is een wijdvertakte landelijke organisatie die de natuur dichter bij de mensen brengt. Dat gebeurt aan de hand van excursies onder leiding van een bevlogen gids, laagdrempelige cursussen en activiteiten voor kinderen, zoals slootje scheppen en braakballen van uilen uitpluizen.  

Ik heb eerder bij een krant gewerkt en gaf de plaatselijke IVN-afdeling alle gewenste publiciteit. Gewoon een kwestie van gunnen, maar ook geboren uit mijn eigen interesse in de natuur. Aankondigingen van activiteiten plaatste ik ergens voor in de krant. Voor de zekerheid liet ik er de vormgever een dik lijntje omheen zetten of hij gaf er een kleurtje aan. Zo trokken deze berichten mooi de aandacht. 

Met een uilenspecialist nestkasten controleren

Vaak ging ik zelf met IVN’ers op pad. Dat mondde dan uit in een mini-reportage. Ik heb eens een avond met een uilenspecialist door een bos gedwaald om nestkasten te controleren. Tussendoor vertelde hij van alles over uilen. Ik noteerde het allemaal. Dat werd wel steeds lastiger naarmate de duisternis intrad. Maar het bleek geen probleem te zijn. Ik was zo gegrepen door zijn enthousiaste verhaal dat alles nog in mijn hoofd zat. En tegelijkertijd, een de leuke kanten van dit vak, leerde ik weer wat nieuws. 

Uil.
Goed kijken, dan kom je deze misschien een keer tegen

Ik ben op een herfstige namiddag met een paddenstoelenkenner hetzelfde bos in gedoken en heb me uitgebreid laten informeren over eetbare zwammen en zwammen die je beter kunt laten staan. Hij torste een rugzak met zich mee die hij had volgestouwd met boeken. Bij elke paddenstoel die we tegenkwamen pakte hij er een boek bij en bladerde net zo lang totdat hij mij het bijbehorende plaatje kon laten zien. Het werd een lange avond. 

Giftige zwam.
Ho! Niet aankomen, en zeker niet eten.

Een verborgen groen paradijsje

Door de heemtuin van Purmerend, in beheer van de plaatselijke IVN-afdeling, ben ik al eens eerder rondgeleid. Een verborgen groen paradijsje aan de rand van de stad. Had ik anders nooit geweten. Ik kom er nu nog steeds, als ik met mijn vriendin door Purmerend wandel. 

Diverse excursies heb ik al meegemaakt. En het leuke is: de natuurgidsen van het IVN hebben veel kennis in huis, maar het zijn geen betweters. Ze willen vooral hun liefde voor de schoonheid en samenhang van de natuur delen. En als een deelnemer iets over een plant of vogel kan vertellen wat ze nog niet wisten, nou graag. 

Terug bij de krant, terug bij het IVN

Ik werk nu weer bij een lokale krant en heb meteen weer contact met het IVN. Het was een kwestie van tijd. Deze keer met de afdeling Twiske, omdat dit recreatiegebied binnen mijn werkterrein ligt.  

Afgelopen week trof ik daar Karin en Lidy, twee vrijwilligers van deze afdeling. Zij vertelden mijn van alles over Het Twiske in coronatijd. En over de wonderlijke samenhang van de natuur. De hondsdraf die in de buurt van brandnetels groeit. De ene plant bezorgt je jeuk, de andere heft de jeuk weer op. Maar ook over de bewustwording die bij mensen ontstaat nu ze noodgedwongen meer thuis zitten. Meer oog voor de natuur in hun eigen woonomgeving. Het is een ontwikkeling die het IVN van harte toejuicht. 

IVN Twiske.
Karin (links) en Lidy van het IVN Twiske.

Een recordaantal mensen heeft onlangs deelgenomen aan de landelijke bijentelling, heb ik van de dames begrepen. Niet minder dan 10.000 mensen hebben 136.068 bijen in hun tuin geturfd. De honingbij staat nog altijd onbedreigd op nummer één. Maar de rosse metselbij heeft zijn kans gegrepen en is geklommen van de derde naar de tweede plaats. Wist je dat? Nou, ik evenmin. Sowieso had ik nog nooit van de rosse metselbij gehoord. Maar nu weet ik het wel. Dankzij het IVN.

Rosse metselbij.
De honingbij staat nog altijd op één, maar pas op: de rosse metselbij komt eraan!.

De rattenvanger die bot ving

Rat.

Ik zat in het tuinzitje te lezen en uit mijn linker ooghoek zag ik iets bij het kippenhok bewegen. Er flitste iets donkers achterlangs. Mijn angstige vermoeden werd direct bevestigd. Een rat, en een grote ook. Het dier kroop onder het gaas van het hok door en begon enthousiast uit het voerbakje te eten. Ik stond snel op, griste een hark mee die naast me stond en haastte me naar het kippenhok om de ongenode gast weg te jagen. Maar hij had me al gezien. Hij nam nog één hap, spurtte weg via de dezelfde route en verdween via een smalle spleet tussen de twee schuren naar de weilanden achter het erf.

Er moesten maatregelen worden genomen. En snel ook. Rattengif? Nee. Geen optie, met rondscharrelende kippen en rondhobbelende honden in de achtertuin. Bovendien waren de kinderen ook nog niet zo groot. Een gespecialiseerd bedrijf inschakelen? Ja. Dat leek me beter.

Via een handige website kon ik in één keer bij zes bedrijven een offerte aanvragen. Ik had nog maar net op ‘Verzenden’ geklikt of er hing al een bedrijf uit de Flevopolder aan de lijn. Toevalstreffer of iemand die het niet zo gek druk had? Ik ging uit van het eerste. Het was de directeur zelf.

Verder dan het noemen van mijn naam kwam ik niet. De man ontstak in een lang verhaal over ratten in het algemeen, ratten in de polder en de bestrijding van ratten. Toen ik eindelijk een spatie tussen twee zinnen ontdekte, dook ik erin en vroeg naar de kosten. Nou, die kon hij me precies voorrekenen. Maar was het niet handiger dat hij even langskwam? Morgen zou hij toevallig bij mij in de buurt zijn. Dus dat trof. Nu geloof ik nooit zo in toeval, maar vooruit, ik zou toch vrij zijn, dus ik liet hem maar langskomen.

Slechte start
De man maakte een slechte start. Hij parkeerde zijn auto doodleuk op het erf van mijn buren, een aannemersbedrijf. Ruimte genoeg, daar niet van, maar ik vond dat niet zo netjes. Op mijn verzoek zette hij zijn auto in de grasberm voor het huis.

Het was een grote, vadsige man van tegen de zestig. Dikke pens, overhemd vol vlekken, kalend hoofd met hier een daar wat plukken haar. Het meest opvallend was zijn gebit, of eigenlijk de resten daarvan: twee smalle, puntige geel-bruine voortanden. De link met de dieren die hij bestreed was automatisch gelegd. De man stond me enorm tegen en het zou alleen maar erger worden.

Gevoel voor theater
Het was vijf over drie en datgene waarmee ik al ernstig rekening had gehouden gebeurde. De rat verscheen ten tonele. De man zag het, hield stil, zakte met veel gevoel voor theater even door de knieën en zei: ‘Een rat! Overdag! Ik kan me niet herinneren ooit overdag een rat te hebben gezien.’ Op zijn gezicht toverde hij een onthutste uitdrukking. ‘Meneer,’ zei hij daarna tegen me, ‘ik denk dat u een groot, gróót probleem hebt. Ik denk dat er een grote familie ratten bij u in de buurt zit.’

Trillende wijsvinger
Hij keek schichtig rond. Zijn ogen kregen ineens de omvang van bierviltjes, zijn mond viel half open en hij wees met een trillende wijsvinger naar de achterdeuren die wijd open stonden. ‘Die deuren! Staan die altijd open?’ stamelde hij, alsof hij het niet kon geloven. ‘En u hebt kinderen?’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Gaat u even rustig zitten,’ zei ik, op de grens van geamuseerd en geïrriteerd, en ik wees naar het zitje. ‘Dat wilde hij wel en een glaasje koel water kon hij op deze zomerse dag ook wel gebruiken. Ik kwam het hem brengen en schoof bij hem aan. Hij leek al een beetje van de eerste schrik bekomen. Inmiddels had ik al besloten niet met deze charlatan in zee te gaan. Maar hij mocht van mij nog wel even zijn verhaaltje doen en ik was toch ook wel benieuwd naar het kostenplaatje.

Lokkasten op strategische plekken
De man nam een ferme slok. Hij benadrukte nog even hoe groot het probleem was, drukte mij op het hart direct afdoende maatregelen te treffen en ontvouwde zijn strijdplan. Op strategische plekken zou een lokkast komen te staan met daarin gif. Voor ratten zou dat onweerstaanbaar zijn en binnen enkele maanden zou de gehele familie zijn uitgeroeid. Het gif zou wel regelmatig moeten worden bijgevuld om nieuwe ratten buiten de tuin de houden. Ik hoefde de kasten alleen maar even in de auto te zetten en naar Flevoland te rijden, waar zijn bedrijf was gevestigd, en terwijl ik kon genieten van een kopje koffie en een gezellig babbeltje – met hem, vrees ik – werd het gif bijgevuld.

Vier à vijf van die kasten waren overigens wel benodigd, schatte hij in, nadat hij zijn blik over mijn achtertuin had laten gaan. Minimaal. En, o ja, stomtoevallig had hij een paar kasten achter in zijn auto. De strijd tegen de ratten zou vandaag nog kunnen beginnen. Kon het mooier?

Hij keek een beetje verstoord op
Toen ik hem vroeg hoeveel het allemaal zou kosten als ik met zijn bedrijf in zee zou gaan, keek hij een beetje verstoord op. Alsof ik hem had gevraagd of hij mijn rug even wilde masseren. Hij leunde wat achterover, keek naar de staalblauwe hemel en tuitte zijn lippen. Daarna schotelde hij mij een wat ingewikkeld plaatje voor, waarbij hij terloops wat bedragen noemde. Ik begreep eruit dat de lokkasten mijn eigendom zouden worden en dat die mij pakweg 300 à 400 euro zouden kosten. Daarnaast zou ik per jaar ongeveer 400 euro kwijt aan de controles. Want er hoorde natuurlijk wel een jaarlijkse inspectie bij om te kijken of alles nog in orde was.

Terwijl ik in mijn hoofd een optelsommetjes maakte, toverde de man een contract uit zijn tas. Voor het gemak was dat al grotendeels ingevuld. ‘Ik teken nog niks,’ zei ik waarschuwend, ‘want ik weet nog helemaal niet of ik dit wil.’

Gelukkig hoefde dat ook niet. Ik mocht er nog even over nadenken. Pas als ik van zijn diensten gebruik zou willen maken, hoefde ik alleen maar te tekenen en het contract op te sturen.

Geen bedragen
Ik liep het formulier na en miste daarop een vrij relevant gegeven: een bedrag. De ruimte waar dat had moeten staan was leeg. Toen ik hem daarop attendeerde, reageerde hij heel verbaasd. ‘Geen bedrag? O, heb ik dat er niet bij gezet?’

Koeltjes keek ik hem aan. ‘Nee, dat hebt u er niet bij gezet.’

De man nam het papier weer van me over een krabbelde er iets op. Twee bedragen die samen uitkwamen op ruim 700 euro. Maar eigenlijk hoefde ik dat al niet eens meer te zien. Mijn besluit was al genomen.

De volgende morgen hebben we de in onze ogen beste – en een stuk goedkopere – maatregel genomen om af te rekenen met ratten. We hebben een poes, type killer, gekocht. Twee dagen later lag de rat naast het kippenhok op zijn rug. Met doffe kraaloogjes bestudeerde hij het wolkendek.

Van ratten hadden we daarna nooit meer last gehad. Van die man ook niet. Ik had hem gemaild dat ik geen gebruik zou maken van zijn diensten. Laatst heb ik hem voor de aardigheid nog even gegoogeld. Het bedrijf bestaat niet meer.

Een onvergetelijke paasdag

De eerste paasdag was even anders dan anders. Lege kerken bijvoorbeeld, met online kerkdiensten als alternatief. Voor mij maakte het niet zo veel uit. Met kerken heb ik niet zoveel, en met Pasen zelf eerlijk gezegd evenmin, al ben ik wel dol op chocolade eieren (het liefst puur). En juist door mijn desinteresse liep er ooit op eerste paasdag iets ernstig mis. 

Kerk.
Op eerste paasdag 2020 bleven de kerken leeg.

Ik woonde nog maar net met vrouw en twee jonge kinderen in Westbeemster. Een zeer bescheiden dorpskern, maar wel met een kloeke katholieke kerk. Het liep tegen Pasen en in de brievenbus vond ik een flyer van de desbetreffende kerkgemeenschap. Voor jonge kinderen werd in de parochie een leuke activiteit georganiseerd: palmpaasstokken versieren op eerste paasdag. Nou, dacht ik, wat een aardig idee.  

Ik heb de kinderen dezelfde dag nog aangemeld. We zouden op eerste paasdag toch thuisblijven en zagen het als een geschikte gelegenheid om de kinderen alvast aan hun nieuwe woonomgeving te laten wennen.  

Met tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie

Tegen tienen liep ik met zoon en dochter en tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie. Ze mochten aan een lange tafel bij de andere kinderen zitten en kregen uitleg. Ik bleef er even bij staan en toen ik zag dat ze enigszins op hun gemak waren liep ik richting deur. “Hoe laat kan ik ze weer ophalen?” vroeg ik in het voorbijgaan aan een van de begeleidsters. “Over een uurtje?” 

De vrouw trok haar wenkbrauwen hoog op. “Ophalen?” zei ze. “Nou, na de mis, hè.” 

Ik liep naar buiten met het angstige idee dat ik iets heel belangrijks over het hoofd had gezien. En toen ik de andere ouders naar de ingang van de kerk zag lopen begon er iets te dagen.  

“Hoe gaat de paasdienst hier in Westbeemster in zijn werk?” vroeg ik luchtig aan een vader die ik van school kende. 

“O,” zei hij, “zoals elke katholieke paasdienst. En na afloop komen de kinderen de kerk binnen met hun versierde stok en dan lopen ze achter de priester in een processie naar buiten. De palmpaasstokken brengen ze naar een oudere, eenzame inwoner van de Beemster.” 

Oh, nee toch, schoot het door me heen. 

Ik moest de gehele dienst uitzitten

Ik liet het allemaal rustig tot me doordringen. En ik kon er niet omheen. Ik moest mee de kerk in en de gehele dienst uitzitten. Het ergste moest zich dan nog aandienen: mijn kinderen onder ogen komen en uitleggen dat ik dit niet had voorzien. Even had ik nog de neiging om terug te rennen naar de parochie, naar binnen te lopen, te roepen dat hier een gruwelijke vergissing in het spel was en de kinderen mee naar huis te nemen, desnoods met half versierde stok. Ik had ze er hoogstwaarschijnlijk best een plezier mee gedaan, maar ook mijn brutaliteit heeft zijn grenzen.  

Ik had simpelweg geen keus. 

Het werd een lange, lange zit

Ergens achteraan, naast het middenpad, vond ik zuchtend een plekje in de kerk. Het werd een lange, lange zit. En na een uur draaien op de kiezelharde bank was het moment daar. Voorin klonk gestommel. Ik zat te ver om het allemaal te kunnen zien, maar zelfs ik begreep dat de kinderen nu binnenkwamen.  

De priester liep kennelijk naar het groepje toe en hield de kinderen om de beurt de microfoon voor hun neus, zodat ze hun naam konden zeggen. Bij één kind bleef het stil.  

Dat was mijn zoon. Die doet niets tegen zijn zin. 

Ik boog me snel naar hen toe

De processie werd over het middenpad ingezet en ze zouden vlak langs me lopen. Een stuk of twaalf kinderen, met een bont versierd kruis zo hoog mogelijk boven het hoofd. En mijn kinderen liepen ertussen. Mijn zoon keek neutraal voor zich uit. Het broodhaantje viel van zijn stok, maar hij liet het zo. Mijn dochter keek me vernietigend aan. Ik boog me snel naar hen toe. “Ik wíst het niet,” siste ik.  

Het had geen effect. 

Buiten werden op een lijst twee adressen van eenzame oudjes aangekruist. Die waren voor ons. Ze woonden allebei in hetzelfde ouderencentrum, dus dat konden we mooi combineren. 

Ze waren heel blij met de palmpaasstokken. En de kinderen waren pas blij toen ze weer thuis waren.  Toen konden ze eindelijk eieren zoeken.

Paaseieren.

Het mooiste geluid dat ik ken

De zon schijnt op deze thuiswerkdag en ik heb me met mijn laptop en telefoon op mijn dakterras geïnstalleerd – ja, je moet er in deze crisistijd toch wat van maken. Ideale werkomstandigheden. Op één ding na: aan het pand pal tegenover mij – op amper tweemaal de coronabreedte – wordt ook gewerkt. De dakpannen worden vervangen en om deze klus wat aangenamer te maken staat de radio keihard aan. Snap ik wel, want ik doe hetzelfde tijdens de afwas, maar ik ben hier niet geheel blij mee. 

Het punt is dat ik mij graag met stilte omgeef. Stilte is het mooiste geluid dat ik ken. Ik beluister de stilte bij voorkeur in een dichtbegroeid, donker bos. In Garderen bijvoorbeeld. Daar zijn de bossen echt donker, sinister bijna. De bomen schurken stijf tegen elkaar aan en smoren elk geluid – áls er al geluid klinkt.  

Bos.
Genieten van de stilte doe ik bij voorkeur in een bos.

Vanwege het huisarrest kom ik daar nu natuurlijk niet. Al zou het misschien nog best kunnen, want onverhoopte medeboswandelaars houd ik sowieso op minimaal anderhalve kilometer afstand in plaats van de voorgeschreven anderhalve meter. Maar zodra Nederland coronavrij is, die dag moet toch een keer aanbreken, rijd ik er graag weer eens heen. 

Rumoerig is het thuis nooit

Thuis ervaar ik de stilte ook. Mijn twee kinderen zijn heel rustig, dus rumoerig is het nooit. En als ze bij mijn ex zijn, en ik het rijk alleen heb, drapeer ik de stilte als een wattendeken behaaglijk om me heen.  

Meestal zet ik geen televisie of radio aan, maar geniet van de stilte. Voordeel is dat mijn woonplaats Purmerend niet bekend staat om zijn bruisende karakter. Ook in het centrum kan het heel stil zijn. Zeker nu. Ik beleef de stilte dan zo intens dat ik alleen het ruisen van het bloed in mijn oor hoor. En omdat mijn rechteroor een tikkie dicht zit, hoor en voel ik daar mijn ritmische hartslag. 

Bijpassende muziek

Soms draai ik bijpassende muziek. Bijvoorbeeld Passage van dwarsfluitist Chris Hinze. Het album is live opgenomen in een Indiase grot en een plaatselijk koor zingt mee. Huiveringwekkend mooi.

Stukje horen? Komt-ie. 

Of jazzmuziek van Chet Baker begeleid door de Belgische virtuoze gitarist Philip Catherine. Ze werken op enkele albums samen. Het aardige is dat er geen drummer en pianist meespelen, uitsluitend een bescheiden bassist.

Dat geeft een hoop rust. Luister maar: 

Beter bekend, zeker onder mijn leeftijdsgenoten, is Pink Floyd. Prachtige muziek, zeker uit de jaren zeventig. En ook hier zitten veel rustmomenten in. Met dank aan drummer Nick Mason. Hij ranselt zijn bekkens en trommels niet af, maar houdt een bedaard, traag tempo aan. Lekker lui, lazy en loom. 

Zoals hier:  

Muziek van een grote schoonheid. Net even anders dan de muziek die bouwvakkers graag lijken af te spelen. Ik heb het vaker meegemaakt: verbouwingen gevaarlijk dicht in de buurt en dan de radio knoerthard aan. Gewoon meteen vanaf een uur of zeven in de ochtend, hup de volumeknop helemaal open. En dan geen rustig kabbelende klassieke klanken, maar bij voorkeur van dat nerveuze gebonk. 

Ik zie ze als schimmen bewegen

De bouwlieden nabij mijn dakterras kan ik evenmin betrappen op een verfijnde smaak. Er staat de gehele dag een zender met een hoop herrie te tetteren. De heren werken op een huizenhoge steiger, die geheel is bedekt met een steigerdoek. Ik zie ze als schimmen bewegen. Tegen drie uur zit hun werkdag erop en dan bellen ze in het Volendams naar hun kantoor om hun belevenissen door te geven.  

Vanmiddag kon ik het woord voor woord volgen. 

“Aardig opgeschoten, hoor. Maar zó warm vandaag. Morgen zijn we hier eerder. Hoeven we niet de hele middag in die hitte te werken. We beginnen om zeven uur, misschien wel om zes uur.” 

Nou, dat belooft wat. 

Schimmen.
De bouwvakkers zie ik als schimmen bewegen.

Niks zo leuk als… niksen

Tja, noodgedwongen thuis blijven vanwege dat dekselse coronavirus. Als beroeps- en hobbymatig schrijver kom ik de dagen goed door. Tussendoor en in het weekend haal ik boodschappen, draai ik wasjes en ga ik met de stofzuiger door het huis.  En ik kijk meer dan normaal naar de televisie. Maar vaak doe ik ook… nou, ja… niks. Ik moet zeggen: daarin ben ik heel bedreven. En het bevalt me uitstekend, ik heb er lol in. Soms denk ik zelfs: er is niks zo leuk als niksen. 

Niksen.
Niksen. Ik ben er erg goed in.

Niksen is niet voor iedereen weggelegd. Dat zie en hoor ik om mij heen. Toen ik afgelopen maandag – de enige dag dat ik niet thuis werk – naar mijn kantoor in mijn woonplaats Purmerend reed, stond ik zomaar in een file. File? Ik snapte er niets van. Dat gebeurt mij nooit. Maar het daagde al snel. Ik reed op de weg die in een bocht langs de milieustraat voert. Tientallen auto’s stonden in een rij om afval te lozen. Om kwart over acht in de ochtend! Ik kon alleen maar aansluiten en afwachten. Gelukkig hoefde ik niet langs een bouwmarkt. Daar schijnt nu ook topdrukte te heersen. 

Ik pak een krant of boek

Nee, zelf ga ik deze dagen niet ineens opruimen en klussen. Zodra ik klaar ben met mijn werk of een blog heb geschreven, pak ik een krant of boek. En ik kijk televisie. Doe ik normaal gesproken niet zo vaak, maar nu wel.  

Op dit moment volg ik de gehele James Bond-cyclus – van Sean Connery tot Daniel Craig. Deze films heb ik al een stuk of 37 keer gezien, maar ze blijven leuk. En ik kijk op de zondag naar de films rond Jason Bourne. Die heb ik nog niet eerder gezien. En wat een vaart, wat een actie. En nu maar hopen dat Die Hard deel 1 tot en met deel weet ik veel ook weer voorbijkomen. 

Voetbalmarathon van 7 uur 

Er worden nu ook historische voetbalkrakers uitgezonden. Héérlijk. Afgelopen zondag heb ik met mijn zoon enorm genoten van een heuse voetbalmarathon. Niet minder dan 7 uur lang hebben we naar allerlei wedstrijden gekeken: eerst een terugblik van ruim 2 uur op het EK 1988, inclusief de rondvaart door de Amsterdamse grachten langs zwaar beladen woonboten. Daarna Nederland-Spanje – je weet wel, de dolfijnenduik van Van Persie. En tot slot, na een korte pauze om bij de snackbar om de hoek een eenvoudige, maar voedzame maaltijd te kunnen halen, Nederland-Brazilië, die geweldige ommekeer van een 0-1 achterstand naar een 2-1 winst. Heel Brazilië in tranen, heel Nederland in jubelstemming.  

Toch weer heel spannend allemaal, ook al was de afloop bekend. 

Bal.
Lekker met mijn zoon naar voetballen kijken.

Maar er zijn dus ook momenten dat ik niks doe. Ik wist van mezelf al dat mij dat moeiteloos afgaat.  

Ik was er al goed in toen ik nog in Hilversum werkte en dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein zat. In het begin nam ik nog wel eens een boek mee, maar van lezen is het amper gekomen. Liever keek ik gewoon maar een beetje naar buiten of voor me uit. Of ik sloeg aan het mijmeren. De reistijd brak me na verloop van tijd op, en toen nam ik de auto, maar toch vond ik het wel wat hebben, die lege uren. 

Trein.
Dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein. Het had zeker zijn plezierige kanten.

Hoe dat gaat, niks doen? Nou, gewoon, je gaat zitten en doet… niks. Meer is het niet. 

Nu moet ik wel zeggen dat ik een voordeel heb: anders dan heel veel mensen heb ik niet het idee dat ik doorlopend iets zou moeten doen, dat rusteloze, dat niet stil kunnen zitten. Ik ben van nature vrij passief. Dat maakt niets doen wel een stuk makkelijker. 

Bovendien ervaar ik het als heel ontspannend, dat niets doen. En het grappige is: het is ook heel inspirerend. Af en toe wellen zomaar, letterlijk vanuit het niks, ideeën en gedachten op. Onderwerpen voor blogs. Verrassende inzichten.

Soms ook dingen die ik zou kunnen doen. Of niet.

De mogelijkheden die videobellen biedt

De jazzy ringtoon van mijn mobiel klinkt op. Ik pak het toestel van de tafel om te kijken wie mij belt. Ha, mijn vriendin! Ik veeg wat met mijn duim over het scherm – ik ben niet zo handig – en ineens… verschijnt tot mijn grote verrassing haar gezicht in beeld, compleet met die brede, hartverwarmende lach. Rechtsonder, in een kleiner scherm, zie ik mijn eigen, verbaasde hoofd. “We zijn aan het videobellen,” verduidelijkt ze – soms heb ik wat uitleg nodig. “Even kijken hoe dat werkt.” 

Videobellen.
Videobellen met WhatsApp. Ideaal,

Nou, dat werkt uitstekend.  

Het was afgelopen week mijn videobeldebuut en zo houden we sinds die tijd contact met elkaar. We nemen het coronavirus immers serieus en bewaren tot nader orde meer dan de vereiste anderhalve meter afstand. Mijn astma speelt immers op, zoals altijd rond maart als warme en koude temperaturen elkaar afwisselen, en mijn vriendin loopt een beetje te snotteren. En nu kunnen we elkaar niet alleen horen, maar ook zien.  

Ik moet er natuurlijk wel op letten dat mijn hoofd is geschoren, want nu ik amper buiten kom schiet dat er soms bij in, maar daar houd ik rekening mee. 

Ik loop een paar lichtjaren achter op nieuwe ontwikkelingen en het videobellen had ik nog niet eerder ontdekt. Ergens wist ik wel dat het mogelijk was, maar ik ben niet zo dat ik dat dan meteen ga uitzoeken en uitproberen.  

Maar wat leuk is dit!  

Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken

Bellen met beeld erbij, zo ga ik het voortaan doen. In mijn privéleven, maar ook in mijn werk als journalist. Ik ga vaak op pad om mensen te interviewen. Dat komt er nu vanwege de coronacrisis minder van, dus ik ben meer aangewezen op de telefoon. Telefonisch interviewen vind ik echter niet ideaal. Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken en hun gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal kunnen meenemen. Dat helpt mij allemaal om een goed verhaal te schrijven. Met videobellen is dat probleem opgelost. 

Nu moet je daar geloof ik wel WhatsApp voor hebben. Maar er zijn vast meer manieren om via de telefoon face-to-face te kunnen praten.  

Geweldige aanbieding

Wat mij bijvoorbeeld leuk lijkt: videobellen met mensen die namens energiebedrijven, leveranciers van kunststof kozijnen en kranten contact met me opnemen omdat ze mij zo graag die geweldige aanbieding willen presenteren. Want het praat een stuk makkelijker als je elkaar in de ogen kunt kijken. Ja toch?  

Energiebedrijven zijn dol op me

Zeker energiebedrijven zijn dol op me. Ik heb een sluimerend tekstbureau en sta bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als ondernemer. Reden genoeg voor diverse energiebedrijven om me als potentiële klant op de bellijst te zetten. Maar ik heb geen bedrijfspand – ik werk op een laptop aan de tafel in mijn huiskamer – en blief dat lucratieve contract niet.  

Dat vertel ik ze dan ook. Soms meer dan één keer. Kennelijk wordt mijn naam na een vruchteloos telefoontje niet doorgestreept en blijft die als prospect op de lijst staan. Ik word dan na twee dagen door hetzelfde bedrijf doodleuk opnieuw gebeld om dezelfde reden en dan moet ik opnieuw nee verkopen.  

Zo’n telefoongesprek duurt overigens nooit lang. Soms zelfs héél kort. Dat gaat als volgt: 

Beller: ‘Bent u de eigenaar van Tekstbureau Prettig Leesbaar?’ 

Ik: ‘Ja.’ 

Beller: ‘Komt het gelegen dat ik u even bel?’ 

Ik: ‘Nee.’ 

Dan wordt het stil en is het gesprek eigenlijk al afgelopen. Maar met beeld erbij hebben we elkaar dan toch even gezien. 

Huisarrest – hoe kom je de dagen door?

Tja, we moeten als het even kan thuisblijven. Zo houden we het coronavirus zoveel mogelijk in toom. Ik houd me daar netjes aan, ook nu op deze zondag de blauwe hemel, dwars door mijn dakramen, naar mij lonkt. Vanmiddag alleen even naar de supermarkt, zigzaggend langs eventuele passanten, om avondeten te halen. Best een dingetje hoor, de hele dag thuis. Toch maar eens kijken hoe mijn twee huisgenoten met het huisarrest omgaan. Daar heb ik nu alle tijd en ruimte voor. 

 

Katten.
Mijn twee huisgenoten moeten sowieso binnen blijven.

Coos en Bliksem heten ze, de poes en kat die ik in september vorig jaar voor mijn kinderen heb gekocht. Het waren nog kittens toen ze zich bibberend in hun reismandje lieten stoppen, maar nu zijn ze een stuk groter. En ze voelden zich hier in Purmerend al snel thuis.  

Het zijn twee huiskatten en dat moet zo blijven. Zet ik onverhoopt de deur naar mijn dakterras op een kier en glippen ze er doorheen, dan is het maar de vraag of ik ze ooit nog terugzie. De weg naar het dak is zo gevonden en dan kunnen ze alle kanten op. 

Bang dat ik ze kwijt was

Op dag 2 was ik al bang dat ik ze kwijt was. We waren op een middag met ze thuisgekomen, hadden de reismandjes in de hal gezet met het deurtje uitnodigend open en we zouden het lekker aan onze nieuwe huisgenoten overlaten om over de drempel te stappen. Niets forceren. Er gebeurde niet veel. Coos had haar eigen mandje verlaten en was snel bij Bliksem in het mandje gekropen. Dat was de enige verandering die we hebben waargenomen.  

Ze bleven zitten waar ze zaten en ook toen we gingen slapen hebben we ze met rust gelaten. De volgende ochtend sloop ik op mijn sokken naar de mandjes. Even kijken hoe het met ze was.  

De mandjes waren leeg.  

Hoe vertel ik het de kinderen?

Ik stond op het verkeerde been. Ik zag ze nergens en evenmin hoorde ik gescharrel of geschuifel. Terwijl mijn appartement klein en overzichtelijk is. Ver konden ze niet zijn. 

En toen schrok ik me kapot. De dakraampjes in mijn huiskamer! Ze stonden een decimeter open! Ik zet ze elke nacht op die stand om frisse lucht binnen te laten en uit macht der gewoonte had ik dat weer gedaan. Ze zouden toch niet…  Nee, toch… Of… 

Mijn hart bonkte in mijn keel. Ze waren weg, ik was ervan overtuigd. Door de dakramen geglipt en terug naar huis. Even moest ik steun zoeken bij een muur. En daarbij dacht ik: hoe vertel ik het de kinderen? 

Drie keer heb ik wanhopig het hele huis doorzocht. Er was nog een kans dat ik ze over het hoofd had gezien. Zoeken is immers niet mijn sterkste kant; ik kan minutenlang voor de open koelkast staan voordat ik de fles ketchup vind die ik zoek. En die staat dan op ooghoogte voor mijn neus. Mannenkwaal. 

Pas toen mijn dochter wakker werd en zich bij me voegde, kwam het goed. Ze haalde de plint onder de keukenkastjes weg en ja hoor, we gingen op onze knieën zitten en keken recht in twee bange kattensnuitjes. Ze lagen daar veilig en waren niet van plan om hun schuilplek te verlaten. 

Maar dat was toen. 

Coos en Bliksem.
Coos en Bliksem voelden zich al snel thuis.

Het is nu maart en Coos en Bliksem lopen hier onbekommerd rond. Ze vinden het wel best zo. Af en toe kijken ze vanaf het Franse balkon de winkelstraat in, maar ze vertonen geen enkele drang of neiging om naar buiten te gaan. De coronacrisis raakt hen dan ook niet. Ze kunnen gewoon in het vertrouwde ritme blijven. 

Dat ritme is net even anders dan dat van mij. 

Vrij spel in de nachtelijke uren

Als ik slaap – ‘s nachts, mijn dagelijkse inzakkertje na het avondeten reken ik niet mee – komen Coos en Bliksem tot leven. Ze hebben vrij spel en soms hoor ik ze door de gang stuiven; die is ongeveer twaalf meter lang, dus daar kunnen ze wel wat mee. Af en toe valt er in huis iets om. 

Het is altijd weer een verrassing wat ik ‘s ochtends allemaal aantref. In de huiskamer liggen meestal kranten, pennen, mijn joggingbroek en placemats verspreid over de vloer. In de hal zijn schoenen uit het rek gehaald. Naast de kattenbak liggen meestal drie drollen op het zeil te smeulen. Dader: Coos. Dat is dan weer geen verrassing. Coos heeft het niet zo op de kattenbak, ook niet nadat ik die heb schoongemaakt. 

Ik word na het verlaten van mijn bed hartelijk begroet. Wat veel te maken heeft met het voerbakje, waarin nog maar een paar brokjes liggen. Ik pak de zak met voer uit de berging, rammel er theatraal mee en dan dartelen de twee enthousiast om mijn voeten. 

Uurtje donderjagen

In de loop van de ochtend dient zich een uurtje donderjagen aan. Coos en Bliksem stuiven achter elkaar aan, springen over stoelen, banken en tafel en gaan samen lekker rollebollen. Het gaat er soms stevig aan toe. 

Zo rond het middaguur zijn ze hun energie kwijt en gaan ze er rustig bij liggen. Of allebei op een eigen plekje of bij elkaar. Dan vinden ze elkaar in een innige omstrengeling. Voor hen is het dan bedtijd. Piepend en snurkend gaan ze een paar uur pitten.

Een innige omstrengeling.

Naarmate de avond nadert worden ze weer wakker en doen ze allebei hun eigen ding. Meestal zit ik met de kinderen, als ze niet bij mijn ex maar bij mij zijn, op de bank en dan voegen Coos en Bliksem zich gezellig bij ons. Bliksem zoekt de knuffel, Coos houdt iets meer afstand. En soms kijkt ze televisie. Zeker als ik naar het dierenprogramma Love Nature kijk. Met name katachtigen trekken dan haar aandacht. Logisch, het zijn verre verwanten.  

Coos kijkt graag naar Love Nature.

Zo vullen Coos en Bliksem hun dagen. Ook tijdens de coronacrisis.

En ik? Ik tik. Artikelen voor mijn krant, blogs, nieuwe hoofdstukken voor mijn boek, en ik ga meedoen aan verhalenwedstrijden. Wie lol heeft in schrijven, heeft een mooi excuus om thuis te blijven. 

Mijn werkplek.