Kranten bezorgen is niet zonder risico

Brievenbus
De meeste brievenbussen zijn goed te doen.

Mijn hand duw ik verder en dat had ik beter niet kunnen doen. De rug haal ik voelbaar open. Als ik mijn hand terugtrek en de schade bekijk, gebeurt er eerst nog niks. Maar dan tekenen zich de eerste bloeddruppels af. Er ontstaat een beekje dat naar mijn knokkels stroomt. Dit loopt uit de hand. Letterlijk. Zó kan ik geen kranten bezorgen. Straks raken ze allemaal onder het bloed, en de brievenbussen ook.  

Ik bel aan en een oudere, vriendelijk ogende dame doet open. ‘Goedenavond, mevrouw’, zeg ik. Ik toon mijn geblesseerde hand. ‘Uw trouwe krantenbezorger heeft zojuist een gruwelijk bedrijfsongeval gehad. Heeft u voor mij een pleister? Anders verspreid ik overal mijn bloed. Dat kan natuurlijk niet.’ 

Ik tref het. Ze toont compassie, vraagt om een ogenblik geduld en schommelt richting keuken. Ze komt terug met een pleister, die ze vakkundig, met het puntje van haar tong tussen de tanden, over de wond legt. Ik kan weer verder.  

Daar ben je vader voor

Mijn zoon is een krantenwijk begonnen, en daar help ik hem af en toe bij. Daar ben je vader voor. Maar ik vind het ook leuk, zo tegen het avondeten een uurtje rondhobbelen in de buitenlucht. Bovendien zijn het kranten waarvoor ik zelf als journalist werk. Dan loop je toch een stukje harder. Zeker als er een verhaal van mij in staat. Want wie schrijft, wil gelezen worden.

Het moest zich in het begin wel even voegen. We gingen op de fiets en stouwden onze fietstassen vol kranten en folders. Goed het stuur vasthouden, want we waren zo zwaar beladen dat beide fietsen dreigden te steigeren als twee geschrokken paarden. 

Lang niet naar het fietspad omgekeken

Maar het ging. Mijn zoon fietste schommelend voor me uit en ik volgde in zijn spoor. Daar had ik al mijn aandacht bij nodig. Ik fiets bijna nooit en het minste oneffenheidje is genoeg om uit balans te raken. Dat gevaar sloop er nu zeker in. Niet alleen vanwege het gewicht dat ik meetorste, maar ook vanwege de conditie van het smalle fietspad. Het is lang geleden aangelegd en er is kennelijk ook al heel lang niet meer naar omgekeken. Tegels zijn afgebroken of helemaal verdwenen. Je moet er wat voor over hebben. 

De straten en huisnummers van ‘onze’ wijk had ik uitgeprint. Het is bekend gebied, maar we wilden het heel secuur doen en geen adressen per ongeluk overslaan. Het zijn huis-aan-huiskranten, waarvoor geen abonnement geldt, maar de meeste mensen rekenen er toch op, zijn eraan gehecht. Bovendien: vergeten we een adres, dan kan het zomaar gebeuren dat ik de gedupeerde bewoner de volgende dag zelf met een bezorgklacht aan de lijn krijg. 

Dankbaar werk

De wijk is makkelijk te behappen. Compact, veel rijtjeshuizen en nergens hoeven we over hekken te klimmen of naar brievenbussen te zoeken. Het is ook dankbaar werk. Een enkele ‘Nee-Nee’-sticker daargelaten – daar weten ze werkelijk niet wat ze missen – zitten veel mensen echt te wachten op de krant die hen én het lokale nieuws én een momentje van ontspanning biedt. Niet zelden zie ik bewoners in hun huiskamer opspringen zodra ik in beeld verschijn. Waar ze ook mee bezig zijn, ze laten het direct uit hun handen vallen  en haasten zich zonder omwegen naar de voordeur om de krant van de mat te rapen.  

Een enkeling staat al in de gang. Dan voel ik hoe de krant uit mijn hand wordt gegrist. Dat gebeurde laatst zó wild dat mijn arm bijna tot aan mijn schouder door de brievenbus werd getrokken. Excuses aan de andere kant van de deur maakten alles goed. Maar het blijft uitkijken. 

Zeker als er binnen honden rondlopen.  

Ik kom er twee op mijn route tegen. De ene blaft alleen. Dat is geen probleem. Maar die andere… Zodra ik via het grindpad door de voortuin knisper barst er in de huiskamer een enorm kabaal los dat zich onheilspellend verplaatst naar de gang, vlak achter de deur. Dan is uiterste voorzichtigheid geboden. Zo zacht en behoedzaam mogelijk til ik met de topjes van wijsvinger en duim de klep van de brievenbus omhoog. De hond wordt dan hélemaal gek en springt tegen de binnenkant van de deur. Ik kijk nog even of ik misschien toch een ‘Nee-Nee’-sticker over het hoofd heb gezien, maar dat is nog steeds niet het geval.  

Een hoekje van de krant naar binnen duwen is genoeg. Meer heeft de hond niet nodig. De krant verdwijnt dan in één keer uit mijn hand en floept door de brievenbus. Wat er dan binnen verder gebeurt, weet ik niet. Ik hoop maar dat de hond de krant netjes op de salontafel legt. 

Soms vangt een hond de krant op.

Brievenbussen zo smal als een zakkammetje

Aan sommige brievenbussen kleeft een uitdaging en, als ik niet uitkijk, mijn bloed. Ze zijn zo smal als een zakkammetje, of ik moet het doen met een minuscuul spleetje dat eigenlijk alleen ruimte biedt aan de voorpagina, of er hangt een stevig gordijn achter, waarschijnlijk tegen de tocht. Dan is het een kwestie van flink wurmen, worstelen en wringen en er tegelijkertijd voor waken dat de krant niet in stukken op de mat komt te liggen. Een hond kan ik dan niet de schuld geven, want die woont daar nou net niet. 

Elke brievenbus kan een verrassing bevatten.

Opspelende winderigheid

Het laatste adres is een verzorgingshuis. Een stuk of zestig brievenbussen naast en onder elkaar in de entree. Dit schiet altijd lekker op. Soms schuift de glazen voordeur open en schuifelt een oudere bewoner net binnen. Die wil zijn of haar krant dan meteen mee naar de woning nemen. Er volgt een persoonlijke overhandiging en we doen er ook nog een gezellig praatje bij. Geheel belangeloos. Of we bieden geduldig een luisterend oor aan mensen die een verhaal kwijt willen over zaken als niet aflatende regenbuien, coronaperikelen en opspelende winderigheid. 

Wij zijn de meest mensvriendelijke krantenbezorgers die je je maar kunt wensen. 

Na een uurtje zijn we weer klaar. En dan geven we elkaar een ‘Beuk de Box’.

De spannendste dagen van het jaar

Zie de maan schijnt door de bomen.
Zie de maan schijnt… vooral de nachten waren spannend.

Sinterklaas was weer in het land en dat bracht bij mij standaard gemengde gevoelens teweeg. Enerzijds verheugde ik me op de cadeaus die ik – hopelijk – zou krijgen, anderzijds sloeg de spanning in mijn onderlijf toe. Dat kwam vooral tot uiting bij het schoentje zetten. Met een plezierige opwinding keek ik uit naar de volgende ochtend, het moment dat ik mijn cadeautje zou aantreffen en uitpakken. Tegen de nacht zag ik echter behoorlijk op. Want vroeg of laat zouden Sint en Piet binnensluipen om het schoeisel te vullen en dat was geen prettige gedachte. Ik kan me herinneren dat ik op een nacht wakker werd van het doortrekken van het toilet. Wie was dat?! schoot het door me heen. Mijn vader? Mijn moeder? Eén van mijn broers? Of… 

Het is vandaag 5 december en dat roept bij mij allerlei herinneringen op aan de spannendste dagen van het jaar. Dat die bejaarde en bebaarde man met die hoge rode muts alleen maar goede bedoelingen had, wist ik natuurlijk wel. En ook van die Pieten viel weinig gevaar te verwachten. Toch vond ik ze ook wel een beetje eng. Altijd weer was het een grote opluchting als ze op 6 december werden uitgezwaaid.  

Geheimzinnige sfeer

Bij ons thuis heerste rond 5 december een wat geheimzinnige sfeer. De reden daarvan ontging mij aanvankelijk. Wel weet ik nog dat ik op een zeker moment met mijn broers naar de voordeur werd geloodst. Die stond half open en in de hal lagen, lukraak verspreid, tientallen kleurige pakjes. Wat er daarna gebeurde, ben ik eerlijk gezegd kwijt. Maar het zal beslist leuk geweest zijn.

Raar uitgedoste Spanjaarden

Later begreep ik het. Die man met de baard heette Sinterklaas. Hij kwam elk jaar naar Nederland om aan kinderen cadeaus uit te delen. Dat vergde nogal wat organisatie, concludeerde ik. Gelukkig zorgde een omvangrijk pietenleger voor ondersteuning. Die cadeaus vond ik natuurlijk leuk, want ik kreeg er ook een paar, maar met die raar uitgedoste Spanjaarden bleef ik moeite houden. 

Het muntje viel, ik had het spelletje door

Later is het mysterie ontsluierd. Toen het muntje viel en ik het spelletje doorhad, konden ze me niet meer voor de gek houden. Sinterklaas kwam naar school. Sinterklaas? Welnee. De onderdirecteur schemerde er gewoon doorheen. En die Hoofdpiet – die leek wel héél sterk op de gymleraar. Nee, ik trapte er niet meer in. 

Zeker niet toen de Sint op een historische dag op het schoolplein werd uitgezwaaid. Terwijl hij statig naar de gereedstaande auto liep, gingen de deuren van de tegenoverliggende school open. Ook daar liep een Sinterklaas naar buiten. 

Stomverbaasde blikken

Ik snapte ook wie thuis de schoentjes vulde. Mijn moeder. Uitgerekend dezelfde die op pakjesavond altijd zo’n show opvoerde. We kennen het allemaal: op de deur bonzen, strooien, een volle zak bij de deur zetten, ineens uit een andere kamer binnen komen stormen en stomverbaasd kijken naar het tafereel dat ze nota bene zelf had aangericht.  

Later ging bij haar de scherpte er wat vanaf. De muur in de gang was inmiddels voorzien van een spiegel en vanuit de huiskamer konden we zien hoe ze op haar tenen en met strooigoed in de hand aan kwam sluipen.

Het was me allemaal duidelijk geworden. Maar voor mijn jongste broer, die nog wel in Sinterklaas geloofde, moest het nog even geheim blijven. Voor mij geen probleem. In de voor mij nieuwe situatie zag ik een heel aantrekkelijk aspect. Ik kon voortaan meer direct en ook heel gericht om cadeaus vragen. 

Pietenpet op de grond

Als vader beleefde ik de tijd rond Sinterklaas net even anders. Toen was ik het die de schoentjes vulde. Om het helemaal echt te maken, liet ik soms een in de haast vergeten pietenpet op de grond achter, keerde ik het schoteltje voor het water om of verspreidde ik delen van de niet helemaal opgeknabbelde winterpeen in het gangpad. 

In het dorpje waar we woonden kwam Sinterklaas met paard en rijtuig aan. Het gezelschap reed langs ons huis en vanaf onze oprit konden we het allemaal mooi zien. In het nabijgelegen dorpshuis mochten de kinderen op het podium komen om een liedje voor Sinterklaas te zingen. Dat werd naarmate de tijd vorderde steeds nadrukkelijker overstemd door ouders die achterin de zaal stonden. Eerst waren ze nog stil, daarna ontstond er wat gefluister, dat ging naadloos over in gedempt gepraat totdat ze op het gebruikelijke volume met elkaar begonnen te praten.  

Sinterklaas moest de ouders met enige regelmaat tot stilte manen. 

De kinderen keerden na afloop dik tevreden naar huis. Allemaal een chocoladeletter én een speculaaspop én een mooi cadeau. Het organisatiecomité liet zich altijd van zijn meest scheutige kant zien. 

Verwelkomd door de uitbater

In andere dorpjes moesten de kinderen – lees: de ouders –  met minder genoegen nemen. Als journalist van een lokale krant ben ik wel eens getuige van intocht geweest die me nog altijd bijstaat. Sint en Piet staken met een veerpont het kanaal over en werden in het aanpalende restaurant, het enige bedrijf dat het dorpje rijk is, verwelkomd door de uitbater. Na een klein uurtje vertrokken de gasten alweer. De kinderen hadden allemaal een klein zakje met pepernoten gekregen. 

Dat zat een van de moeders kennelijk nogal hoog. Ze stapte naar de uitbater en vroeg: “Een zakje met pepernoten? Is dat alles?” 

“Tja,” antwoordde de uitbater. “De intocht moet worden gefinancierd door de plaatselijke middenstand. En dat ben ik.” 

Sinterklaas.
De Sint kwam ook naar school.

Hoe ik ooit de militaire dans ontsprong

Bij de ogentest veinsde ik het zicht van een mol op een donkere, mistige avond

Mijn 17-jarige dochter Joy die met een parachute achter de vijandelijke linies wordt gedropt. Die in camouflagepak, met bruine vegen op haar gezicht en een mitrailleur in de aanslag, achter een struik ligt. Die zich in de opening van een tank laat zakken. Net als alle andere meisjes van haar leeftijd is ze ingeschreven als dienstplichtige, ze heeft daar deze week een brief over ontvangen van het ministerie van Defensie, maar wordt alleen in heel uitzonderlijke situaties opgeroepen. Ik denk zomaar dat ze niet in actie zal hoeven komen. Net als haar vader, die ooit aan de dienstplicht is ontsnapt. 

We hebben er na het lezen van de brief verschrikkelijk om gelachen. Ik kan het niet helpen, maar in dit soort gevallen komen er bij mij allerlei fantasieën op die steeds gekker worden. Dan zie ik die lieve schat met een peloton door een hoge rivier waden, het geweer boven het hoofd, bedacht op een onverhoopte hinderlaag vanaf de oever.

Joy deed gezellig mee. ‘Papa, wist je dat ik met een paar handgranaten onder mijn kussen slaap?’ 

Mijn dochter die als parachutiste achter de vijandelijke linies wordt gedropt.
Ik zie het helemaal voor me…

Nadat mijn hysterische lachbuien wegstierven – volgens mijn kinderen loop ik in een dergelijke stemming gevaarlijk rood aan – moest ik terugdenken aan de tijd dat ik zelf werd uitgenodigd voor de keuring voor de militaire dienst. Het waren de jaren tachtig en in die tijd moest je daadwerkelijk in dienst. Mijn oudere broer was uitgeloot, en dat deed mij het ergste vrezen. Zou ik er wel aan moeten geloven? Nee toch? Ik had er he-le-maal geen zin in. Liever ging ik meteen werken. 

Hoofd in de nek, kin omhoog, borst vooruit

De dag begon met een introductiepraatje in de kazerne. Een bijzonder arrogante officier, stram in de houding, armen op de rug, legeruniform aan, maar wel een idioot paars sjaaltje om zijn hals, sprak zijn gehoor toe. Hoofd in de nek, kin omhoog, borst vooruit. 

Hoe belangrijk en verrijkend het was om in het leger te gaan. Dat wilde hij graag even kwijt. En, o ja, schamperde hij, er waren ook van die types die aangaven in de keuken te willen werken.  

Ik was een van hen.  

De morsetest: ronde na ronde overleefde ik

De keuring verliep goed. Te goed, eigenlijk. Op het programma stond onder meer een morsetest. Voor wie dat niets zegt: morsesignalen werden vroeger in de marine gebruikt om met een elkaar te communiceren. Dat gebeurde veelal via elektronisch verstuurde piepjes – kort of lang en met verschillende tussenpozen – die je volgens een codering moest vertalen in woorden of getallen.  

De morsetest ging me uitstekend af.
Vroeger werd bij de marine via morsesignalen gecommuniceerd.

We werden in groepen verdeeld, kregen een koptelefoon op en moesten de morsesignalen die werden aangereikt interpreteren. Wie een fout maakte, viel af, de rest ging door naar de volgende ronde.  

Tot mijn niet geringe verbazing ging de test mij uitstekend af. Ik nam de piepjes tot mij en wist de juiste vertaling te geven. Ronde na ronde overleefde ik. Totdat er nog maar drie in de race waren. Toen kwam ik tot bezinning. 

Ja, wacht eens even, schoot het door me heen. Straks valt het op dat ik hierin best bedreven ben en kom ik als marconist op een boot terecht. Heb ik de godganse dag dat gepiep in mijn oor.  

Ik maakte direct expres een paar fouten en was af. Gelukkig maar. 

Tijdens de ogentest sloeg ik genadeloos toe

Het inspireerde mij om de boel nog meer te belazeren. Tijdens de ogentest sloeg ik genadeloos toe. 

Ogentest bij de opticien.
De ogentest. Daar wist ik wel raad mee.

Alsof ik bij een opticien zat, moest ik op tien meter afstand letters op een display opnoemen. Ik kon het allemaal best goed zien, maar veinsde het zicht van een mol op een donkere, mistige avond. Voor de vorm kneep ik mijn ogen een beetje toe. 

Het was overtuigend genoeg. 

Het bevrijdende nieuws stond in de tweede brief

Dat bleek toen ik de uitslag kreeg. Twee brieven. In de ene stond dat ik was goedgekeurd. Het bevrijdende nieuws stond in de tweede brief. Ik was buitengewoon dienstplichtig. Alleen in geval van nood zou men een beroep op mij doen. 

Net als mijn dochter heb ik jaren geslapen met een paar handgranaten binnen handbereik. Ze lagen klaar op de vensterbank. Je kon nooit weten. Ook stond er standaard een geweer met bajonet in de hoek van mijn slaapkamer.

Ik heb de wapens nooit hoeven gebruiken. Ik ben nooit opgeroepen, en eigenlijk verwacht ik dat ook niet meer.  

Handgranaten op de vensterbank.
Je kon nooit weten…

Wandelen is een weelde voor lichaam en geest

Mijn wandelschoenen
Mijn wandelschoenen hebben al veel kilometers versleten.

De takjes kraken onder mijn schoenzolen, bladeren ritselen fluisterzacht in de wind, vogels tjilpen en kwetteren. Het zijn de enige geluiden die ik waarneem nu ik door het Purmerbos loop. De rust en stilte, de groene tinten om mij heen, de geur van bloemen, vermolmde boombasten en natte aarde – wandelen ervaar ik als een weelde. Omdat mijn zintuigen worden verwend, omdat ik het prettig vind om in beweging te zijn, omdat mijn hoofd dan zo lekker leegstroomt. Ik kan het iedereen aanraden. 

Steeds meer mensen ontdekken de geneugten van het wandelen, juist in deze bizarre tijden. Ik kan niet anders constateren dan dat ik de troepen ver vooruit was. Ruim twintig jaar geleden ben ik aan het wandelen verslingerd geraakt. Het begon spontaan met een loopje van 8 kilometer door de achtertuin van Amsterdam, door en langs sluimerende dorpjes als Zunderdorp en Holysloot. Het beviel mij meer dan uitstekend. Een passie was geboren. 

Stevig doorstappen, lekker loom slenteren

De wandelingen werden steeds langer, zo rond de 16 kilometer, oftewel minimaal vier uur achter elkaar lopen. Stevig doorstappen, maar ook lekker loom slenteren. Veel gezien, want Nederland is een prachtig land en ik ben in alle uithoeken geweest.  

Bospaadje in het Purmerbos.
Aanlokkelijke bospaadjes, bij mij veruit favoriet.

Ik heb veel favoriete locaties. Op nummer één: de Amsterdamse Waterleidingduinen, nabij Zandvoort. Een stuk duingebied, waar auto’s, brommers en honden niet zijn toegestaan. Op sommige delen leven reebokken. Die kijken hooguit wat verstoord op als ze je ontwaren. Het is zelfs het enige gebied waar ik ooit een vos heb gezien. Twee zelfs. De een joeg de ander op. 

Amsterdamse Waterleidingduinen
Reebokken kom je tegen in de Amsterdamse Waterleidingduinen.

Diverse avonturen

Vaak liepen mijn trektochten letterlijk uit, want wandelen gaat bij mij nogal eens samen met verdwalen. Dat heeft tot diverse avonturen geleid. 

Bij voorkeur laat ik me leiden door gekleurde paaltjes. Dat vind ik gewoon het leukste. Maar niet zelden is het gebeurd dat ik in een verlaten bos op een kruispunt of driesprong uitkwam en ik het paaltje miste. Of ik keek eroverheen – wat zeer tot de mogelijkheden behoorde, want ik ben zo kippig als een blinde in een darkroom – of het paaltje was gewoon om een onduidelijke reden verdwenen. 

Standaard de verkeerde kant op

Teruglopen was voor mij geen optie; ik kijk nooit om en ga nooit terug, dat is een van mijn levensprincipes. Dus zocht ik op goed geluk mijn weg, en dan liep ik standaard de verkeerde kant op, om pas veel later dan gepland bij mijn auto terug te keren. Dat ik die terugvond was trouwens sowieso een wonder. 

Men zegt weleens dat je rondjes loopt als je in een onbekend natuurgebied verdwaalt. Dat klopt. Ooit ben ik van een saai, geasfalteerd pad afgeweken en een bospad ingeslagen. Op een paaltje bij het toegangshek was een sinaasappel gespietst. Vertrouwend op een oriëntatievermogen dat ik geheel mis probeerde ik de juiste richting te vinden. Na vijf kwartier kwam ik uit op een saai, geasfalteerd pad. Ik besloot een bospad in te slaan. Op een paaltje bij het hek was een sinaasappel gespietst.  

Ik heb toen toch maar dat geasfalteerde pad afgelopen. 

Het is allemaal goedgekomen

Ronduit spannend was de route die ik ooit in de herfst rond de Posbank op de Veluwezoom heb gevolgd. Paaltjes met een zwarte kop. Aan het begin van de avond – half Nederland zat al aan tafel – had ik nog een flink stuk te gaan. Maar de duisternis daalde neer, de route liep door een toch al donker bos en die paaltjes waren steeds moeilijker te ontdekken. Het is allemaal goedgekomen, maar met wijsheid had dat helemaal niets te maken. 

Veluwezoom
Op de Veluwezoom ging het bijna mis.

Tot mijn enkels in het water

Het kan zelfs nog spannender. Ooit vierde ik met mijn inmiddels ex en kinderen vakantie op Terschelling. Terwijl moeders met de kinderen ging winkelen, trok ik met onze hond een natuurgebied in voor een pittige wandeling. Het was een drassig stuk en het werd steeds drassiger. Ook hier peinsde ik er niet over om terug te gaan. Ik liep door, maar de paden verdwenen. Het werd nog drassiger en af en toe zakte ik tot mijn enkels in het water. Geen idee hoe ik weer op het droge moest komen.

Billy de hond keek me af en toe verbaasd aan, alsof hij door had dat dit niet helemaal de bedoeling was en dat zijn baasje het niet helemaal meer wist. En het was uitgerekend Billy die me heeft gered. Hij zette zijn speurneus op, ging voor me uitlopen, sloeg dan weer links- en dan weer rechtsaf en verdomd, we naderden redelijk snel de rand van het gebied en liepen zo de bewoonde wereld weer in. 

Ja, je maakt wat mee als je met mij gaat wandelen. 

Grijze zaterdag in november

Mijn vriendin kan dat volmondig beamen. Ook zij is wandelliefhebber en samen hebben we al tientallen kilometers afgelegd. De eerste keer liepen we op een grijze zaterdag in november door Het Twiske, een recreatiegebied nabij Purmerend . Het werd donker en ik raakte de weg kwijt. Het spoor volkomen bijster. Spannend, maar niet alleen dat. Er is toen tussen ons, omgeven door duisternis, mistflarden en geritsel, iets heel moois ontstaan, dat nog altijd voortduurt. 

Of ik toen echt de weg niet meer wist is nog altijd een goed bewaard geheim.  

Schatkist met geheim
Een goed bewaard geheim…

Inspiratie nodig? Deze boeken helpen je op weg:

Hans Moolenburg Sr. – Wandelen in Verwondering

Monica Wesseling – Natuurwandelen in Nederland

Marja Kerst & Pim Verver – 20 x Logeren en wandelen in Nederland

Pijnlijke comeback op de tennisbaan

Comeback op de tennisbaan.
Dertig jaar niet meer getennist. Het was even wennen.

De tennisbal stuitert links naast me. Als ik een snelle draai maak en schuin naar achteren stap móet ik hem met een backhand terug kunnen slaan. Tenminste, dertig jaar geleden lukte me dat bij deze balsport nog weleens. Nu niet. Ik raak uit balans en kom ten val. Het ziet er volgens mij verre van elegant uit – ik denk dat mijn kinderen blij zijn dat er niemand in de buurt is. Mijn linker onderarm schuurt over het gravel en mijn schouder en achterhoofd volgen. Dit soort tennistoeren moet ik op mijn 59ste gewoon niet meer willen uithalen, concludeer ik terwijl ik de pijn weg lach. Een wijze les voordat ik met mijn dochter Joy straks wekelijks ga tennissen. 

Een maandje geleden vroeg ze me of ik met haar wil tennissen. Geen van haar vriendinnen deelt de liefde voor deze sport, en daarmee kwam ik in beeld. Ik zei volmondig ja. Heerlijke sport, lekker in de buitenlucht en een beetje bewegen kan in mijn geval bepaald geen kwaad. En dan ook nog eens met mijn dochter! Ik heb ons aangemeld bij de kleine, gezellige tennisvereniging LTC Beem-Star in Middenbeemster en binnenkort gaan we beginnen. Veel zin in.  

Kans op succesvolle treffer groot

Lang geleden tenniste ik al. Niet vaak en zeker niet fanatiek, maar gewoon af en toe voor de lol. Ik beheers deze tak van sport redelijk. Als ik niet te snel naar de bal ga, maar hem rustig laat stuiteren, mijn arm voldoende naar achteren breng, geconcentreerd sla en mijn arm doorzwaai, is de kans op een succesvolle treffer best groot. 

Ik tenniste vooral tijdens vakanties. Met ouders en broers streken we neer op bungalowparken en dan gingen de rackets mee. Want een beetje bungalowpark heeft een tennisbaan. We huurden die een paar keer en dan scheerden de ballen twee uur lang over het net. Nou ja, óver het net… ze belandden ook vaak ín het net en ze vielen er ook weleens met een pisboogje net achter.

Maakte niet uit. We hadden er lol in. 

Prima reflexen

De basistechnieken had ik toen dus aardig onder de knie. Daarnaast bleek ik over prima reflexen te beschikken. Vooral kort bij het net wist ik ballen met allerlei kunstgrepen te retourneren.  

Mijn geheime wapen – dat nooit lang geheim bleef – was een verrassende, wonderlijke backhand. Dat zette ik in als een bal links achter mij ver in het achterveld verdween. Dan zette ik een sprintje in en sloeg de bal op de een of andere manier achterwaarts terug. Dat voelde heel raar en onnatuurlijk. Alsof mijn rechter schouderblad een decimeter naar links schoof. Geen idee hoe ik het deed, maar een feit is dat een bijna onmogelijk te halen bal twee seconden later over het net vloog en binnen de lijnen van het veld van mijn onthutste tegenstander stuiterde, die dacht dat het punt al binnen was. 

Gravelveld omgetoverd in tennisbaan

Getennist heb ik ook bij de toenmalige roemruchte voetbalclub Rood Wit-A in Amsterdam-Noord, waarvan ik lid was. Onder de leden zaten veel tennisliefhebbers en een aantal van hen heeft een tenniscommissie opgericht. Het gravelveld waarop normaal gesproken werd getraind werd in de zomermaanden omgetoverd in een tennisbaan. Daar heb ik regelmatig gebruik van gemaakt. Ik was op de vrijdagmiddag vrij – een aardigheidje van mijn eerste werkgever, Buma/Stemra – en mijn tennismaatje Bert Heijselaar ook. En dus troffen we elkaar elke vrijdagmiddag in alle rust op het voetbalcomplex. Hij was een maatje te groot voor me, maar hij hield zich netjes in en daardoor bleef het leuk.  

Maar dat was toen. 

Een geschikt moment

Dertig jaar later – om precies te zijn: op zondag 26 juli jongstleden om 13.00 uur op het vakantiepark ‘t Hooge Holt in Gramsbergen – heb ik racket en bal weer opgepakt. Ik was zojuist 59 geworden en van mijn kinderen mocht ik deze dag invullen zoals ik dat graag zou willen. We zouden sowieso een keer gaan tennissen en dit leek me een geschikt moment. 

Na de valpartij – we waren al twee minuten aan het tennissen – kwam ik tot de even reële als pijnlijke constatering dat mijn wendbaarheid, die al niet zo gek veel voorstelde, in de loop der jaren ernstig is afgenomen. Eigenlijk is er niets meer van over. Maar de techniek zit er nog best in.  

Zoeken naar verdwaalde ballen

Diverse ballen zeilden hoog over het net – en zelfs over de omheining. Kostbare minuten gingen verloren aan het zoeken naar verdwaalde ballen, al kwam de onbedoelde rustpauze me ook wel weer goed uit, want godsamme wat scheen die zon ongenadig. Niet zelden moest ik tot aan mijn elleboog graven in struiken vol doornen en scherpe takken. Mijn onderarm en benen kwamen onder bloederige schrammen te zitten. Samen met de blauwe plekken en schaafwonden die ik al eerder had opgelopen leverde dat een levendig kleurenspel op. 

Maar ik heb heerlijk getennist. En ik kijk uit naar de partijen met mijn dochter bij Beem-Star, waar gelukkig weer vrijuit kan worden getennist

Er wacht wel een nieuw probleem. De ongeschreven regel is dat leden bardiensten draaien óf onkruid gaan wieden. Ik heb voor het laatste gekozen. Bestellingen aan een bar verwerk ik net zo snel als een ace die langs mijn oren suist. Dan kuis ik liever de paden langs de tennisbanen met hark en schoffel. Dat resulteert onherroepelijk in jeukende en pijnlijke blaren door de brandnetels. Maar goed, die trekken wel weer weg. 

Brandnetels.
Brandnetels. Een vervaarlijke tegenstander op de tennisbaan.

Het ultieme vaderdagcadeau

Engels ontbijt als vaderdagcadeau.
Een compleet Engels ontbijt. Een groter plezier kunnen mijn kinderen mij niet doen.

Om negen uur klonk gestommel in de slaapkamers van de kinderen – opvallend vroeg, want meestal blijft het daar op zondag tot tegen twaalven doodstil. De avond ervóór had Joy het me al streng verboden zelf te ontbijten. De kinderen liepen de deur uit en na een halfuur keerden ze terug. Dave sommeerde me op het dakterras te gaan zitten tot ik weer naar binnen mocht. En na een kwartier kwam het bevrijdende bericht: mijn cadeau stond klaar. Een compleet Engels ontbijt: gebakken ei met spek, witte bonen in tomatensaus, twee kloeke worsten, geroosterd brood met jam en twee muffins. Voor mij het ultieme vaderdagcadeau. 

Tja, Vaderdag. Als kind kwam ik jaar na jaar met hetzelfde cadeau aanzetten: een asbak van klei. Die maakte ik op school. Voor mijn vader was het op een gegeven moment al geen verrassing meer. ‘Toch niet weer een asbak, hè?’ riep hij al bij voorbaat. En liever ook geen ontbijt op bed. Al die beschuitkruimels tussen de lakens… 

Veel knutselwerken heb ik bewaard

Nee, dan mijn eigen Vaderdag. Daar heb ik altijd al ontzettend veel lol aan beleefd. Op de lagere school bedachten ze steeds iets nieuws. Van een kartonnen slak en houten fotostandaard tot een pennenhouder en placemat. Veel van die knutselwerken heb ik bewaard. Die slak, het eerste vaderdagcadeau dat ik van Dave heb mogen ontvangen, neemt zelfs een ereplaatsje in boven op mijn boekenkast.  

Vaderdagcadeau.
Het eerste vaderdagcadeau dat ik van Dave heb mogen ontvangen.

Het voor mij jaarlijkse hoogtepunt heeft een nieuwe dimensie gekregen zodra de kinderen tieners werden. Ze weten dat ik van veel en lekker eten houd. Daar kunnen ze ook niet omheen. Ik schep ’s avonds minimaal twee keer op en restjes hark ik eveneens naar me toe. Los daarvan praat ik de godganse dag over eten. 

Uitgebreid ontbijt

En dus mag ik ieder jaar met Vaderdag op een uitgebreid ontbijt op bed rekenen. Dat kostte me in het begin wel wat moeite. Jaren geleden was ik nog veel ongeduldiger dan nu. Bovendien stond ik elke ochtend rond zeven, acht uur op en dan scheurde ik van de honger. Ik werd echter geacht tot een uur of elf in mijn bed te blijven liggen voordat er iets gebeurde. Tergend lange, slopende uren waren dat. Uit pure wanhoop en frustratie zette ik mijn tanden af en toe wild in mijn kussen.  

Het werd me te machtig

Maar àls ik dan eindelijk gestommel op de trap hoorde, was al dat wachten vergeten. Zeker die eerste keer dat mij een Engels ontbijt werd voorgeschoteld, werd het me allemaal te machtig – niet het ontbijt, maar de bijkomende emoties. Gebakken ei met spek, worst, scones met aardbeienjam, koffie, vers geperst sinaasappelsap – het zat er allemaal bij. Zó mooi. Uit pure emotie wreef ik ongemerkt een opwellende traan uit een ooghoek. Een groter plezier konden ze me nauwelijks doen. 

Kaiserbroodjes met…

Toch zat er in de beginjaren wel een risico aan vast als de kinderen hun gang konden gaan. Het risico op maag- en darmklachten. Ooit kwamen ze met kaiserbroodjes aanzetten. Ook leuk, ware het niet dat mijn zoon er in al zijn onschuld en enthousiasme met blauwe verf moddervette smileys op had geschilderd. Blij keek hij toe hoe ik deze zo zorgvuldig versierde broodjes zou opeten. Ik heb het gedaan, met tanden zo lang als heipalen. Ik kon het niet maken, vond ik, om ze te weigeren. De gehele dag was het zaak heel dicht bij het toilet te blijven.  

Waarom Nederland mijn favoriete vakantieland is

Met de fluisterboot door sloten en meren.
Dobberen door het Waterland.

Een kaarsrecht, geasfalteerd fietspad dwars door de Veluwe. Zonnetje aan de hemel, prettig zomerbriesje. Met mijn twee broers fietste ik voorop, tien meter achter ons volgden onze ouders, naast elkaar. Ik keek achterom om naar ze te zwaaien en keek daarna weer voor me uit. Tien seconden later draaide ik mijn hoofd weer om omdat ik iets naar mijn ouders wilde roepen. Ik zag alleen mijn moeder nog. Mijn vader was in de greppel naast het fietspad gedonderd. Geen idee hoe. 

Het zijn dierbare herinneringen aan de vakanties die ik in mijn jeugd heb beleefd. Memorabel is zeker ons bezoek aan Nationaal Park De Hoge Veluwe. Toen al kon je daar de beroemde Witte Fietsen gebruiken en zo op een plezierige manier het natuurschoon doorkruisen. Maar dan moesten er wel genoeg fietsen zijn. Wij waren met zijn vijven en kwamen op deze – naar later zou blijken historische – dag twee fietsen te kort. De fietstocht waarop we ons met het hele gezin hadden verheugd dreigde niet door te kunnen gaan. 

Dat liet mijn moeder niet gebeuren. 

‘Kom mee,’ zei ze tegen me en terwijl mijn vader en mijn twee broers alvast de laatste drie fietsen uit het rek pakten beende ze met grote passen doelgericht weg, al wist ik nog niet waarheen. Niet-begrijpend volgde ik haar. Moeders wil was wet en ik stelde geen vragen. Ook niet toen ze bij het toiletgebouw ging staan. Wel begon er iets bij me te dagen. 

Een man en vrouw kwamen aanrijden, stapten af, zetten hun fietsen tegen het gebouw en liepen naar binnen om hun behoefte te doen voordat ze aan hun dagje fietsen zouden beginnen. 

‘Nu!’ riep mijn moeder. Ze liep naar de fietsen, duwde er een in mijn handen en pakte zelf de andere. ‘Opstappen en en wegwezen!’ klonk het. Als in een droom volgde ik het commando op. 

We voegden ons bij de rest van het gezin – mijn vader schudde langzaam het hoofd, weet ik nog. ‘Zo,’ zei mijn moeder. ‘Nu gaan we lekker fietsen.’  

Om de aangegeven route te kunnen starten moesten we langs het toiletgebouw. ‘Doorfietsen en niet kijken!’ siste mijn moeder. Maar ik kon het niet laten. Uit mijn ooghoek zag ik het stel staan. De verbijstering stond in hun ogen. Toch waren ze nog lang niet zo verbijsterd als ik. 

De Veluwe.
De Veluwe. Heerlijk om doorheen te fietsen. Als je een fiets hebt.

Meestal brachten we onze zomervakantie door in een gezellig en comfortabel huisje in een bungalowpark. Voetballen en badmintonnen in de tuin, fietsen en zwemmen en elke dag een ijsje. Toen we ouder werden, kwamen de bestemmingen verder te liggen. We streken neer in hotels in Oostenrijk, Italië en Spanje. Erg leuk, zeker de strandvakanties, maar Nederland is mijn favoriete vakantieland gebleven. Ook vanwege de reistijd; ik heb een hekel aan lange autoritten – sowieso aan autorijden – en helemaal aan uitputtende reizen met de bus. Ooit hadden mijn ouders bedacht ons met de bus naar Lloret de Mar te laten vervoeren. Achttien uur heen, achttien uur terug. Gebroken kwam ik op mijn bestemming aan. En met piepende adem, want in die tijd was het doodnormaal om een in warme, benauwde bus massaal te roken.  

Toen ik zelf vader werd zochten we het met onze vakanties ook niet al te ver. Texel, Friesland, Zeeland – heerlijk. Met de auto net te doen. Eenmaal heb ik me met het gezin over de grens gewaagd en reed ik in pakweg acht uur zonder oponthoud naar het gereserveerde huisje in de Belgische Ardennen, tegen de Franse grens. Erg plezierige vakantie. Alle boeken van Nicci French verslonden met een fles wijn binnen handbereik.   

Maar Nederland blijft mijn favoriete vakantieland. 

Texel.
Texel. Altijd leuk.

Gelukkig zit ik daarmee op één lijn met mijn vriendin. Ons eerste lange weekend samen brachten we door in een kasteel in Maastricht, het 1-jarige bestaan van onze relatie vierden we op Texel en afgelopen week vierden we vakantie niet alleen in eigen land, maar zelfs in en vanuit onze woonplaats, het schilderachtige Purmerend.  

Veel gewandeld en gefietst. Hoogtepunt was een vaartocht met een fluisterboot door de sloten en meren rond Monnickendam, Broek in Waterland en Zuiderwoude. Lekker tuffen en dobberen zonder iemand tegen te komen. 

Nee, voor vakantievertier hoef ik het echt niet ver te zoeken. 

Inspiratie opdoen?

Marlou Jacobs & Godfried van Loo – Nederland – Vakantie in eigen land

Roëll de Ram – Verliefd op Nederland

Quinten Lange – De allermooiste dorpen van Nederland

De leukste club van Nederland

Het begon te regenen. Harder en harder. Bakken hemelwater gutsten over ons heen. Samen met de andere deelnemers zochten mijn vriendin en ik beschutting onder het dichte gebladerte van de bomen. Het had geen enkele zin; de regen ging er dwars doorheen. De natuurgids vertelde intussen vrolijk verder over de vleermuizen die zich in de heemtuin, een groene parel aan de rand van Purmerend, ophouden. Maar het werd te bar. Hij brak de excursie af, en de bijdrage hoefden we niet te betalen. Alsof het allemaal zijn schuld was. Sympathiek gebaar. Maar sowieso vind ik het IVN de leukste club van Nederland. 

Vleermuizen.
Helaas geen vleermuis gezien; de excursie viel in het water.

Het IVN – voluit het Instituut voor Natuureducatie – is een wijdvertakte landelijke organisatie die de natuur dichter bij de mensen brengt. Dat gebeurt aan de hand van excursies onder leiding van een bevlogen gids, laagdrempelige cursussen en activiteiten voor kinderen, zoals slootje scheppen en braakballen van uilen uitpluizen.  

Ik heb eerder bij een krant gewerkt en gaf de plaatselijke IVN-afdeling alle gewenste publiciteit. Gewoon een kwestie van gunnen, maar ook geboren uit mijn eigen interesse in de natuur. Aankondigingen van activiteiten plaatste ik ergens voor in de krant. Voor de zekerheid liet ik er de vormgever een dik lijntje omheen zetten of hij gaf er een kleurtje aan. Zo trokken deze berichten mooi de aandacht. 

Met een uilenspecialist nestkasten controleren

Vaak ging ik zelf met IVN’ers op pad. Dat mondde dan uit in een mini-reportage. Ik heb eens een avond met een uilenspecialist door een bos gedwaald om nestkasten te controleren. Tussendoor vertelde hij van alles over uilen. Ik noteerde het allemaal. Dat werd wel steeds lastiger naarmate de duisternis intrad. Maar het bleek geen probleem te zijn. Ik was zo gegrepen door zijn enthousiaste verhaal dat alles nog in mijn hoofd zat. En tegelijkertijd, een de leuke kanten van dit vak, leerde ik weer wat nieuws. 

Uil.
Goed kijken, dan kom je deze misschien een keer tegen

Ik ben op een herfstige namiddag met een paddenstoelenkenner hetzelfde bos in gedoken en heb me uitgebreid laten informeren over eetbare zwammen en zwammen die je beter kunt laten staan. Hij torste een rugzak met zich mee die hij had volgestouwd met boeken. Bij elke paddenstoel die we tegenkwamen pakte hij er een boek bij en bladerde net zo lang totdat hij mij het bijbehorende plaatje kon laten zien. Het werd een lange avond. 

Giftige zwam.
Ho! Niet aankomen, en zeker niet eten.

Een verborgen groen paradijsje

Door de heemtuin van Purmerend, in beheer van de plaatselijke IVN-afdeling, ben ik al eens eerder rondgeleid. Een verborgen groen paradijsje aan de rand van de stad. Had ik anders nooit geweten. Ik kom er nu nog steeds, als ik met mijn vriendin door Purmerend wandel. 

Diverse excursies heb ik al meegemaakt. En het leuke is: de natuurgidsen van het IVN hebben veel kennis in huis, maar het zijn geen betweters. Ze willen vooral hun liefde voor de schoonheid en samenhang van de natuur delen. En als een deelnemer iets over een plant of vogel kan vertellen wat ze nog niet wisten, nou graag. 

Terug bij de krant, terug bij het IVN

Ik werk nu weer bij een lokale krant en heb meteen weer contact met het IVN. Het was een kwestie van tijd. Deze keer met de afdeling Twiske, omdat dit recreatiegebied binnen mijn werkterrein ligt.  

Afgelopen week trof ik daar Karin en Lidy, twee vrijwilligers van deze afdeling. Zij vertelden mijn van alles over Het Twiske in coronatijd. En over de wonderlijke samenhang van de natuur. De hondsdraf die in de buurt van brandnetels groeit. De ene plant bezorgt je jeuk, de andere heft de jeuk weer op. Maar ook over de bewustwording die bij mensen ontstaat nu ze noodgedwongen meer thuis zitten. Meer oog voor de natuur in hun eigen woonomgeving. Het is een ontwikkeling die het IVN van harte toejuicht. 

IVN Twiske.
Karin (links) en Lidy van het IVN Twiske.

Een recordaantal mensen heeft onlangs deelgenomen aan de landelijke bijentelling, heb ik van de dames begrepen. Niet minder dan 10.000 mensen hebben 136.068 bijen in hun tuin geturfd. De honingbij staat nog altijd onbedreigd op nummer één. Maar de rosse metselbij heeft zijn kans gegrepen en is geklommen van de derde naar de tweede plaats. Wist je dat? Nou, ik evenmin. Sowieso had ik nog nooit van de rosse metselbij gehoord. Maar nu weet ik het wel. Dankzij het IVN.

Rosse metselbij.
De honingbij staat nog altijd op één, maar pas op: de rosse metselbij komt eraan!.

De rattenvanger die bot ving

Rat.

Ik zat in het tuinzitje te lezen en uit mijn linker ooghoek zag ik iets bij het kippenhok bewegen. Er flitste iets donkers achterlangs. Mijn angstige vermoeden werd direct bevestigd. Een rat, en een grote ook. Het dier kroop onder het gaas van het hok door en begon enthousiast uit het voerbakje te eten. Ik stond snel op, griste een hark mee die naast me stond en haastte me naar het kippenhok om de ongenode gast weg te jagen. Maar hij had me al gezien. Hij nam nog één hap, spurtte weg via de dezelfde route en verdween via een smalle spleet tussen de twee schuren naar de weilanden achter het erf.

Er moesten maatregelen worden genomen. En snel ook. Rattengif? Nee. Geen optie, met rondscharrelende kippen en rondhobbelende honden in de achtertuin. Bovendien waren de kinderen ook nog niet zo groot. Een gespecialiseerd bedrijf inschakelen? Ja. Dat leek me beter.

Via een handige website kon ik in één keer bij zes bedrijven een offerte aanvragen. Ik had nog maar net op ‘Verzenden’ geklikt of er hing al een bedrijf uit de Flevopolder aan de lijn. Toevalstreffer of iemand die het niet zo gek druk had? Ik ging uit van het eerste. Het was de directeur zelf.

Verder dan het noemen van mijn naam kwam ik niet. De man ontstak in een lang verhaal over ratten in het algemeen, ratten in de polder en de bestrijding van ratten. Toen ik eindelijk een spatie tussen twee zinnen ontdekte, dook ik erin en vroeg naar de kosten. Nou, die kon hij me precies voorrekenen. Maar was het niet handiger dat hij even langskwam? Morgen zou hij toevallig bij mij in de buurt zijn. Dus dat trof. Nu geloof ik nooit zo in toeval, maar vooruit, ik zou toch vrij zijn, dus ik liet hem maar langskomen.

Slechte start
De man maakte een slechte start. Hij parkeerde zijn auto doodleuk op het erf van mijn buren, een aannemersbedrijf. Ruimte genoeg, daar niet van, maar ik vond dat niet zo netjes. Op mijn verzoek zette hij zijn auto in de grasberm voor het huis.

Het was een grote, vadsige man van tegen de zestig. Dikke pens, overhemd vol vlekken, kalend hoofd met hier een daar wat plukken haar. Het meest opvallend was zijn gebit, of eigenlijk de resten daarvan: twee smalle, puntige geel-bruine voortanden. De link met de dieren die hij bestreed was automatisch gelegd. De man stond me enorm tegen en het zou alleen maar erger worden.

Gevoel voor theater
Het was vijf over drie en datgene waarmee ik al ernstig rekening had gehouden gebeurde. De rat verscheen ten tonele. De man zag het, hield stil, zakte met veel gevoel voor theater even door de knieën en zei: ‘Een rat! Overdag! Ik kan me niet herinneren ooit overdag een rat te hebben gezien.’ Op zijn gezicht toverde hij een onthutste uitdrukking. ‘Meneer,’ zei hij daarna tegen me, ‘ik denk dat u een groot, gróót probleem hebt. Ik denk dat er een grote familie ratten bij u in de buurt zit.’

Trillende wijsvinger
Hij keek schichtig rond. Zijn ogen kregen ineens de omvang van bierviltjes, zijn mond viel half open en hij wees met een trillende wijsvinger naar de achterdeuren die wijd open stonden. ‘Die deuren! Staan die altijd open?’ stamelde hij, alsof hij het niet kon geloven. ‘En u hebt kinderen?’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Gaat u even rustig zitten,’ zei ik, op de grens van geamuseerd en geïrriteerd, en ik wees naar het zitje. ‘Dat wilde hij wel en een glaasje koel water kon hij op deze zomerse dag ook wel gebruiken. Ik kwam het hem brengen en schoof bij hem aan. Hij leek al een beetje van de eerste schrik bekomen. Inmiddels had ik al besloten niet met deze charlatan in zee te gaan. Maar hij mocht van mij nog wel even zijn verhaaltje doen en ik was toch ook wel benieuwd naar het kostenplaatje.

Lokkasten op strategische plekken
De man nam een ferme slok. Hij benadrukte nog even hoe groot het probleem was, drukte mij op het hart direct afdoende maatregelen te treffen en ontvouwde zijn strijdplan. Op strategische plekken zou een lokkast komen te staan met daarin gif. Voor ratten zou dat onweerstaanbaar zijn en binnen enkele maanden zou de gehele familie zijn uitgeroeid. Het gif zou wel regelmatig moeten worden bijgevuld om nieuwe ratten buiten de tuin de houden. Ik hoefde de kasten alleen maar even in de auto te zetten en naar Flevoland te rijden, waar zijn bedrijf was gevestigd, en terwijl ik kon genieten van een kopje koffie en een gezellig babbeltje – met hem, vrees ik – werd het gif bijgevuld.

Vier à vijf van die kasten waren overigens wel benodigd, schatte hij in, nadat hij zijn blik over mijn achtertuin had laten gaan. Minimaal. En, o ja, stomtoevallig had hij een paar kasten achter in zijn auto. De strijd tegen de ratten zou vandaag nog kunnen beginnen. Kon het mooier?

Hij keek een beetje verstoord op
Toen ik hem vroeg hoeveel het allemaal zou kosten als ik met zijn bedrijf in zee zou gaan, keek hij een beetje verstoord op. Alsof ik hem had gevraagd of hij mijn rug even wilde masseren. Hij leunde wat achterover, keek naar de staalblauwe hemel en tuitte zijn lippen. Daarna schotelde hij mij een wat ingewikkeld plaatje voor, waarbij hij terloops wat bedragen noemde. Ik begreep eruit dat de lokkasten mijn eigendom zouden worden en dat die mij pakweg 300 à 400 euro zouden kosten. Daarnaast zou ik per jaar ongeveer 400 euro kwijt aan de controles. Want er hoorde natuurlijk wel een jaarlijkse inspectie bij om te kijken of alles nog in orde was.

Terwijl ik in mijn hoofd een optelsommetjes maakte, toverde de man een contract uit zijn tas. Voor het gemak was dat al grotendeels ingevuld. ‘Ik teken nog niks,’ zei ik waarschuwend, ‘want ik weet nog helemaal niet of ik dit wil.’

Gelukkig hoefde dat ook niet. Ik mocht er nog even over nadenken. Pas als ik van zijn diensten gebruik zou willen maken, hoefde ik alleen maar te tekenen en het contract op te sturen.

Geen bedragen
Ik liep het formulier na en miste daarop een vrij relevant gegeven: een bedrag. De ruimte waar dat had moeten staan was leeg. Toen ik hem daarop attendeerde, reageerde hij heel verbaasd. ‘Geen bedrag? O, heb ik dat er niet bij gezet?’

Koeltjes keek ik hem aan. ‘Nee, dat hebt u er niet bij gezet.’

De man nam het papier weer van me over een krabbelde er iets op. Twee bedragen die samen uitkwamen op ruim 700 euro. Maar eigenlijk hoefde ik dat al niet eens meer te zien. Mijn besluit was al genomen.

De volgende morgen hebben we de in onze ogen beste – en een stuk goedkopere – maatregel genomen om af te rekenen met ratten. We hebben een poes, type killer, gekocht. Twee dagen later lag de rat naast het kippenhok op zijn rug. Met doffe kraaloogjes bestudeerde hij het wolkendek.

Van ratten hadden we daarna nooit meer last gehad. Van die man ook niet. Ik had hem gemaild dat ik geen gebruik zou maken van zijn diensten. Laatst heb ik hem voor de aardigheid nog even gegoogeld. Het bedrijf bestaat niet meer.

Een onvergetelijke paasdag

De eerste paasdag was even anders dan anders. Lege kerken bijvoorbeeld, met online kerkdiensten als alternatief. Voor mij maakte het niet zo veel uit. Met kerken heb ik niet zoveel, en met Pasen zelf eerlijk gezegd evenmin, al ben ik wel dol op chocolade eieren (het liefst puur). En juist door mijn desinteresse liep er ooit op eerste paasdag iets ernstig mis. 

Kerk.
Op eerste paasdag 2020 bleven de kerken leeg.

Ik woonde nog maar net met vrouw en twee jonge kinderen in Westbeemster. Een zeer bescheiden dorpskern, maar wel met een kloeke katholieke kerk. Het liep tegen Pasen en in de brievenbus vond ik een flyer van de desbetreffende kerkgemeenschap. Voor jonge kinderen werd in de parochie een leuke activiteit georganiseerd: palmpaasstokken versieren op eerste paasdag. Nou, dacht ik, wat een aardig idee.  

Ik heb de kinderen dezelfde dag nog aangemeld. We zouden op eerste paasdag toch thuisblijven en zagen het als een geschikte gelegenheid om de kinderen alvast aan hun nieuwe woonomgeving te laten wennen.  

Met tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie

Tegen tienen liep ik met zoon en dochter en tweemaal een kaal paaskruis naar de parochie. Ze mochten aan een lange tafel bij de andere kinderen zitten en kregen uitleg. Ik bleef er even bij staan en toen ik zag dat ze enigszins op hun gemak waren liep ik richting deur. “Hoe laat kan ik ze weer ophalen?” vroeg ik in het voorbijgaan aan een van de begeleidsters. “Over een uurtje?” 

De vrouw trok haar wenkbrauwen hoog op. “Ophalen?” zei ze. “Nou, na de mis, hè.” 

Ik liep naar buiten met het angstige idee dat ik iets heel belangrijks over het hoofd had gezien. En toen ik de andere ouders naar de ingang van de kerk zag lopen begon er iets te dagen.  

“Hoe gaat de paasdienst hier in Westbeemster in zijn werk?” vroeg ik luchtig aan een vader die ik van school kende. 

“O,” zei hij, “zoals elke katholieke paasdienst. En na afloop komen de kinderen de kerk binnen met hun versierde stok en dan lopen ze achter de priester in een processie naar buiten. De palmpaasstokken brengen ze naar een oudere, eenzame inwoner van de Beemster.” 

Oh, nee toch, schoot het door me heen. 

Ik moest de gehele dienst uitzitten

Ik liet het allemaal rustig tot me doordringen. En ik kon er niet omheen. Ik moest mee de kerk in en de gehele dienst uitzitten. Het ergste moest zich dan nog aandienen: mijn kinderen onder ogen komen en uitleggen dat ik dit niet had voorzien. Even had ik nog de neiging om terug te rennen naar de parochie, naar binnen te lopen, te roepen dat hier een gruwelijke vergissing in het spel was en de kinderen mee naar huis te nemen, desnoods met half versierde stok. Ik had ze er hoogstwaarschijnlijk best een plezier mee gedaan, maar ook mijn brutaliteit heeft zijn grenzen.  

Ik had simpelweg geen keus. 

Het werd een lange, lange zit

Ergens achteraan, naast het middenpad, vond ik zuchtend een plekje in de kerk. Het werd een lange, lange zit. En na een uur draaien op de kiezelharde bank was het moment daar. Voorin klonk gestommel. Ik zat te ver om het allemaal te kunnen zien, maar zelfs ik begreep dat de kinderen nu binnenkwamen.  

De priester liep kennelijk naar het groepje toe en hield de kinderen om de beurt de microfoon voor hun neus, zodat ze hun naam konden zeggen. Bij één kind bleef het stil.  

Dat was mijn zoon. Die doet niets tegen zijn zin. 

Ik boog me snel naar hen toe

De processie werd over het middenpad ingezet en ze zouden vlak langs me lopen. Een stuk of twaalf kinderen, met een bont versierd kruis zo hoog mogelijk boven het hoofd. En mijn kinderen liepen ertussen. Mijn zoon keek neutraal voor zich uit. Het broodhaantje viel van zijn stok, maar hij liet het zo. Mijn dochter keek me vernietigend aan. Ik boog me snel naar hen toe. “Ik wíst het niet,” siste ik.  

Het had geen effect. 

Buiten werden op een lijst twee adressen van eenzame oudjes aangekruist. Die waren voor ons. Ze woonden allebei in hetzelfde ouderencentrum, dus dat konden we mooi combineren. 

Ze waren heel blij met de palmpaasstokken. En de kinderen waren pas blij toen ze weer thuis waren.  Toen konden ze eindelijk eieren zoeken.

Paaseieren.