7 ijzersterke tips voor een geslaagd interview

Aanbevolen positie tijdens interview: haaks.
Een van mijn tips: ga niet tegenover elkaar zitten.

Een interview afnemen waar zowel jij als je gesprekspartner met een tevreden gevoel op terugkijkt? Volg mijn 7 tips. Ik heb ze mezelf eigen gemaakt in de bijna 30 jaren dat ik als journalist met pen en schrijfblok in de hand de ene na de andere deur binnenloop en pas ze automatisch toe. Met succes.  

Mijn allereerste interview, ruim 30 jaar geleden, ik weet het nog precies. Ik was zojuist aangenomen als journalist bij Stadsblad De Echo in Amsterdam en de hoofdredacteur stuurde me meteen de straat op. Learning by doing. Ik moest een artikel schrijven over het toen nog nieuwe fenomeen ‘Attentie Buurtpreventie’. Op het afgesproken tijdstip belde ik aan op het aangegeven adres in Amsterdam-Oost – nadat ik ruim vijf minuten voor de deur had staan dralen.  

Ze keken me vol verwachting aan

Binnen wachtte een comité van vier buurtbewoners. Ze keken me vol verwachting aan toen ik bij ze aan tafel ging zitten. Geen idee ook ik dit moest aanpakken. Maar het regelde zich vanzelf. Een van de heren – de voorzitter, vermoedde ik – zei: “Hoe doet u dat altijd? Stelt u vragen of laat de mensen eerst hun verhaal vertellen?” 

Kennelijk kwam ik over als een ervaren journalist. En dan was ik ook nog eens een ‘u’. Dat gaf me veel vertrouwen. 

Welgeteld 2 seconden weifelde ik. Moest ik bekennen dat dit mijn eerste interview was en dat ik niet kon terugvallen op een beproefd plan van aanpak? Of zou ik ze in de waan laten en in de rol blijven van de gelouterde journalist die voor het zoveelste interview aanschuift? 

Ik besloot tot bluf. Ja, je bent Amsterdammer of je bent het niet, hè? 

“Wat ik altijd doe”, begon ik met een serieuze blik, terwijl ik pen en papier op tafel legde, “is de mensen zelf hun verhaal laten vertellen, en als me na afloop iets niet duidelijk is of als ik meer wil weten, stel ik vragen.” 

Er werd instemmend geknikt en ik bracht het er goed van af. 

De mist in

Later ging ik nog wel eens de mist in. Vooral als ik vooraf een vragenlijstje opstelde en me daar star aan wilde houden. Dat werkte niet. Ooit heb ik een flamboyante horeca-ondernemer geïnterviewd. Die hoefde ik geen vragen te stellen, want hij praatte zelf wel aan één stuk door. Hoe makkelijk voor een interviewer!

Zo heb ik het helaas niet ervaren. Probleem was dat hij in het begin spontaan antwoord gaf op vraag 4 die op mijn zorgvuldig opgestelde lijstje stond. Toen klopte het voor mij niet meer. Ik raakte uit balans en moest alle zeilen bijzetten om hier flexibel mee om te gaan. 

Meneer Aart had geen zin

Gesloten vragen stellen. Ook zoiets. Ik deed het bij wijlen Aart Staartjes – met afstand mijn slechtste interview. Hij had er sowieso geen zin in, dat liet hij aan alle kanten merken, en elke vraag beantwoordde hij met een kort ‘Ja’ of ‘Nee’. Punt. Het interview sloeg dood als een glas verschaald bier. Ik was blij toen ik weer weg mocht. Meneer Aart waarschijnlijk ook. 

Interviewen is een vak en dat heb ik mezelf door ervaring eigen gemaakt. Nu ik weer in de plaatselijke journalistiek werk beleef ik daar opnieuw enorm veel plezier aan. Ik kom met een leeg schrijfblok en dito hoofd binnen en ga na pakweg anderhalf uur weer weg. Maar dan met vellen vol aantekeningen – gesprekken opnemen doe ik nooit -, een invalshoek in mijn hoofd, een prettig gevoel omdat ik iemand heb leren kennen die ik nog niet kende en veel zin om een mooi artikel te schrijven, dat geheel recht doet aan degene die daarin centraal staat. 

Pen en schrijfblok.
Met een leeg schrijfblok kom ik binnen.

Slechts één valkuil moet ik zien te omzeilen: mijn belabberde handschrift. Soms kan ik mijn haastig neergepende aantekeningen niet meer ontcijferen. Nogal frustrerend. Zeker als het een vlammend citaat betreft dat ik na het opschrijven dik heb omcirkeld met een paar uitroeptekens erbij. Oftewel: relevant voor het artikel.

Maar goed, zelf schrijf je vast leesbaarder dan ik – en misschien neem jij het interview wel op – maar ben je gediend met handvatten om interviews tot een goed, bevredigend eind te brengen. Pas dan mijn tips toe. Ze werken. Dat weet ik uit eigen ervaring. 

Tip 1: Bereid je goed voor 

Het is op zijn minste handig als je je vooraf zorgvuldig hebt ingelezen. Dat komt op je gesprekspartner bovendien wel zo leuk over. Bekijk dus de website van het bedrijf waar je langsgaat. Zoek de hoofdpersoon op in de sociale media. Vlooi eerdere publicaties door. En verdiep je in het onderwerp van het artikel.  Leve Google!

Tip 2: Wees oprecht geïnteresseerd 

Echt leren kun je dit niet. Hoeft misschien ook niet, want als journalist ben je toch wel geïnteresseerd in je onderwerp, anders was je geen journalist geworden. Maar er zitten wel eens personen en onderwerpen tussen die je amper aanspreken. Probeer je dan toch te interesseren, oprecht, zonder dat je iets veinst.

Ik heb collega’s gekend die hun neus ophaalden voor het schrijven van advertorials; commercieel getinte verhalen over ondernemers, als wisselgeld voor het plaatsen van een advertentie. Ik heb daar nooit moeite mee gehad. Ik vond het zelfs leuk om ondernemers aan publiciteit te helpen. En zo beleef ik dat nog steeds. 

Tip 3: Stel je gesprekspartner op zijn gemak 

Er zijn mensen die het best spannend vinden, een journalist over de vloer. Vooral dan is het zaak voor een ontspannen sfeer te zorgen. Zelf begin ik niet per se meteen over het onderwerp van gesprek. Ik babbel eerst over de kinderen, ga even spelen met de hond des huizes of bewonder de schilderijen aan de muur – overigens heel oprecht. Spelenderwijs breng ik het gesprek op gang. Ik noem het ook nooit een interview; het is een gesprek waaruit een artikel voortkomt.

Ik ga nooit tegenover mijn gesprekspartner zitten, maar haaks, aan de zijkant van de tafel. Anders is het net een kruisverhoor. Mijn ervaring is dat dat heel prettig uitpakt; je hoeft elkaar dan ook niet per se in de ogen te kijken. Dit raad ik je echt aan. Of probeer het gewoon een keer en ervaar het zelf.

In deze coronatijden doe ik het ook wel eens anders. Dan wordt het een wandelinterview. Erg leuk om te doen.  

Alternatieve locatie voor een interview: buiten in de natuur.
Een interview tijdens een wandeling. Soms noodgedwongen vanuit corona-oogpunt, maar altijd leuk om te doen.

Vragenlijstjes maak ik niet meer. In het begin nog wel, maar daar ben ik van afgestapt. Vooraf bepaal ik wat ik zo ongeveer wil weten en dat komt dan in willekeurige volgorde aan de orde. Er ontstaat dan bovendien ruimte voor verrassende wendingen. Het is me wel eens gebeurd bij het afscheid nemen, toen ik de deurknop al in mijn hand had. Er volgde een terloopse opmerking die het verhaal helemaal op zijn kop zette. Daar word ik als journalist altijd erg blij van. 

Tip 4: Houd de regie in eigen hand 

De geïnterviewde staat centraal, maar het is jouw verhaal. Houd de regie in eigen hand – niet strak, gewoon losjes en vriendelijk, maar wel duidelijk. Zijpaadjes, niet ter zake doende details, ellenlange uitweidingen – meteen ingrijpen en terug naar de kern van de zaak. 

Ik heb wel eens een docent geïnterviewd over zijn 40-jarig jubileum. Nu ben ik bij docenten toch al op mijn hoede – ook buiten de schooltijden willen ze nog wel eens doceren, is mijn ervaring – en in dit geval was dat zeker op zijn plaats. Nadat ik had opgeschreven wat ik wilde weten en het verhaal voor mij rond was, pakte hij een stapeltje volgeschreven A4-tjes uit zijn tas. Hij wilde nog wat kwijt. Toen moest ik even streng optreden, anders had ik misschien nog drie uur bij hem aan tafel gezeten. 

De regie in eigen hand tijdens een interview.
Houd de regie in eigen hand – het is jóuw verhaal.

Tip 5: Luister 

Heel voor de hand liggend, maar het gebeurt niet altijd – kijk er de praatprogramma’s op televisie maar op na: luister naar je gesprekspartner. Laat hem uitpraten. Maak de zinnen niet halverwege voor hem af. Oordeel ook niet (te snel). En laat eens een stilte vallen. Dat kan ongemakkelijk voelen, maar het werkt heel goed. Vaak zal de geïnterviewde zich geroepen voelen iets te vertellen – en dat kan zomaar iets verrassends of relevants zijn.  

Tip 6: Stel open vragen 

Wil je je gesprekspartner echt los laten gaan? Stel dan geen gesloten vragen, vragen waar je alleen ‘Ja’ of ‘Nee’ op kunt antwoorden. Dan loop je het risico dat het interview vastloopt. Nee, open vragen – die werken beter. Zeker bij mensen die wat gespannen zijn. Zo help je ze op gang. Behalve dan als ze geen enkele zin in het interview hebben. Zoals Meneer Aart. Dan helpt er niet zo gek veel. 

Tip 7: Vraag om voorbeelden  

Een goed, prettig leesbaar artikel schrijven waarbij de lezer zich iets kan voorstellen? Ondersteun het verhaal dan met beelden. Hoe kom je aan bruikbare beelden? Tijdens het interview. Vraag je gesprekspartner om voorbeelden, vraag dóór.   

Hij heeft je verteld dat hij in zijn jeugd veel ellende heeft meegemaakt. Wat dan? Dronken vader met losse handen? Het gezin aangewezen op de voedselbank? Beschuldigd van witwaspraktijken?  

Obstakels overwonnen. Wat voor obstakels? Chronische onzekerheid? Gepest op school? Straatvrees?

Avontuurlijke vakanties. Wat dan? Verloren gewaande stam in Afrika opgezocht? Mount Everest beklommen? Noordzee met een vlot overgestoken?

Beelden heb je nodig om je artikel kleur te geven. Houd dat voor ogen als je aan je interview begint. 

Bergbeklimmen.
Avontuurlijke vakantie achter de rug? Wat dan?

Tien taaltips voor tintelende teksten

Taaltips om aantrekkelijker te schrijven.
Heerlijk, schrijven. En het kan altijd beter.

Aantrekkelijk schrijven? Daar werk ik al aan vanaf het moment dat ik mezelf rond mijn twintigste leerde tikken op de typemachine van mijn vader. Complete stukken van mijn favoriete journalisten – Gerard Rigter en Carel Brendel van het AD – tikte ik van A tot Z over. Gewoon om de slag te pakken te krijgen. Nog steeds schaaf ik aan mijn stijl. Het kan immers altijd beter en aantrekkelijker. Ik laat mij inspireren door vakgenoten en succesvolle auteurs en vreet in een moordend tempo boeken weg. Dat zijn veelal loeispannende literaire thrillers, bij voorkeur van Michael Robotham, R.J. Ellory en Nicci French. Als ik zelf schrijf – artikelen voor de krant, blogs, columns of mijn historische roman – laat ik me leiden door tien tips die mij inspireren en scherp houden. Ik deel ze hieronder met je. 

  1. Gebruik spreektaal en spreekritme 

Misschien wel het belangrijkste. Tenminste: voor mij. Spreektaal leest prettiger en natuurlijker. Ik hanteer het in al mijn uitingen: e-mails, artikelen, blogs, maar ook in webteksten. Eigenlijk weet ik niet beter. Ik zou niet anders willen en kunnen.  

Gewoon doen en durven.

Hulpmiddel nodig? Heel simpel: beeld je in dat degene aan wie je schrijft tegenover je zit en praat tegen hem. Verzin iemand die je doelgroep vertegenwoordigt.

Wat zeg je dan tegen hem? 

Frans, hierbij deel ik je mee dat ik je een zakelijk aanbod wil doen…  

Nee toch?  

Praat tegen hem zoals je dat face-to-face zou doen en schrijf het zo op. Zo komen vanzelf de juiste woorden op en krijg je het juiste ritme te pakken. 

2. Varieer in zinslengte 

Alleen maar lange zinnen, dat leest niet lekker, zeker als er ook nog veel bijzinnen in staan, waar je sowieso beter een aparte zin van kunt maken. 

Poeh, wat een zin. Even op adem komen. 

Kort dan maar? Pim. Pam. Pet,  

Nee, dat is het ook niet.  

Variëren dus. En wil je het helemaal goed doen? Begin elke alinea met een korte zin. Of zelfs met één woord.  

Vliegtuigen. Tientallen. Onophoudelijk vlogen ze over het huis. Er leek geen einde aan te komen. De jonge Ber – hij was bijna vijf jaar – wist dat het vliegtuigen waren. Die had hij al vaker gezien en gehoord. Maar dan één tegelijk en niet zo veel. Deze vliegtuigen klonken bovendien anders. Zwaarder. Een monotoon gebrom.  

Het geluid van bommenwerpers.
Een monotoon gebrom.

3. Schrijf in de actieve vorm 

Een bekende tip, en niet voor niets.  

Niet:  

De inbrekers werden door de agenten ingerekend. 

Maar: 

Agenten rekenden de inbrekers in. 

Niet: 

U wordt door ons gebeld. 

Maar: 

Wij bellen u. 

Dat leest toch veel lekkerder? En waarom zou je moeilijk doen? 

4. Omzeil zijn, worden, zullen en kunnen 

Zijn, worden, kunnen, zullen…  helpen dergelijke (hulp)werkwoorden? Ja, ze helpen je tekst om zeep. Laat ze weg. Slijp je zinnen. 

Niet: 

De jeugdleden van de voetbalclub zullen komende zaterdag oud papier ophalen. 

Maar: 

De jeugdleden van de voetbalclub halen komende zaterdag oud paper op. 

Niet: 

U kunt ons gratis e-book aanvragen. 

Maar:  

Vraag ons gratis e-book aan.  

Niet: 

Er is limonade in de kantine. 

Maar: 

In de kantine staat limonade klaar. 

Niet: 

De file wordt langer. 

Maar: 

De file groeit. 

Auto's in een file.
De file groeit.

5. Stop met voegwoorden 

Voegwoorden maken zinnen extra lang. Niet nodig. Weg ermee. 

Niet:  

Ik ben gisterochtend niet naar kantoor gegaan, omdat ik naar de tandarts moest. 

Maar: 

Ik moest gisterochtend naar de tandarts. Daarom ben ik niet naar kantoor gegaan. 

Niet: 

Ik nam een tas mee, waarin ik al mijn boeken had gestopt. 

Maar: 

Ik nam een tas mee. Daarin had ik al mijn boeken gestopt. 

Niet: 

De buschauffeur reed veel te hard en moest in de S-bocht flink afremmen. 

Maar: 

De buschauffeur reed veel te hard. In de S-bocht moest hij flink afremmen.    

Engelse bus.
Te hard.

6. Vervang clichés 

Clichés zijn clichés omdat ze zo raak zijn. Uiteindelijk verliezen ze hun kracht. Ook ik grijp er vaak op terug. Lekker makkelijk. Soms vind ik ook geen betere term. Soms ook wel. Even creatief denken en dan popt er altijd wel iets anders op. Doe daar een beetje moeite voor. Het komt je tekst beslist ten goede. En het is toch leuk om met een eigen, originele vondst te komen?  

Niet: 

Bij ons bedrijf staat service hoog in het vaandel. 

Maar: 

Bij ons bedrijf schrijven we service in chocoladeletters. 

Niet: 

Zij is meteen in de pen geklommen om op de brief te reageren. 

Maar: 

Zij heeft meteen haar laptop opengeklapt om op de brief te reageren.   

Trouwens, wie klimt er tegenwoordig nog in de pen? Sommige clichés zijn écht antiek. 

Niet: 

Hij is zo gesloten als een oester. 

Maar bijvoorbeeld: 

Hij is zo gesloten als de graftombe van een Egyptische farao. 

Graftombe.
Een andere metafoor.

7. Schrijf concreet en specifiek  

Vermijd mistige taal, wees duidelijk. Schotel de lezer beelden voor, prikkel alle zintuigen. 

Niet:  

De man vloekte. 

Maar: 

De man riep ‘Godverdómme!’ 

Niet: 

De adviseur schreef iets op. 

Maar: 

De adviseur krabbelde het telefoonnummer op de achterkant van een visitekaartje. 

Niet: 

De kleedkamer rook muf. 

Maar: 

De kleedkamer rook naar sokken die al weken niet zijn gewassen. 

Sportkousen
Sportsokken kunnen gaan broeien.

8. Niet vertellen, maar laten zien 

Hét motto in schrijversland: Show, don’t tell.  Niet vertellen, maar laten zien. Niet beschrijven dát er iets gebeurt, maar wát er gebeurt. Schep beelden. Ik probeer het altijd en overal te gebruiken, wat me overigens niet altijd lukt.. 

Dus niet: 

De man die aan tafel zat was boos. 

Maar: 

De man die aan tafel zat omklemde zijn vork zo stevig dat zijn knokkels wit uitsloegen en prakte met een verbeten trek om de mond zijn piepers tot gort. 

Niet: 

De weg die hij met zijn bakkersfiets naar boer Krelis moest afleggen was slecht onderhouden. 

Maar:  

Op weg met zijn bakkersfiets naar boer Krelis moest hij door diepe en ondiepe kuilen. Dan kwam hij omhoog van zijn zadel en hupte de mand met broden aan zijn stuur op en neer. Niet zelden raakte hij onderweg een stokbrood kwijt. 

Niet: 

Bij ons bedrijf staat service hoog in het vaandel (ja, ja, daar is-ie weer) 

Maar:  

Speciaal voor onze klanten zijn wij elke dag van 8 tot 20 uur bereikbaar. Ook in het weekend. Technische storing? Bel ons en we staan binnen een uur bij u voor de deur om het probleem op te lossen. 

Zelf ben ik dol op personificaties. Die doen het altijd goed. 

Zoals: 

De weegschaal kreunt en steunt onder zijn gewicht. 

Het knoopje ter hoogte van mijn navel doet zijn uiterste best om mijn overhemd te sluiten. 

Op het kleine tafeltje verdringen de flesjes nagellak elkaar. 

Flesjes nagellak verdringen elkaar.
Gebruik personificatie. Oftewel: dicht dingen menselijke eigenschappen toe.

9. Strooi royaal met voorbeelden 

Sommige tips lopen in elkaar over. Maakt niet uit, als je er maar wat aan hebt. Zie het gewoon als de kracht van de herhaling.   

Voorbeelden geven werkt uitstekend. Altijd doen. In artikelen, in webteksten, maar ook in een sollicitatiebrief. 

Niet:  

In de plaatselijke voetbalclub zijn veel vrijwilligers actief. 

Maar: 

In de plaatselijke voetbalclub zijn veel vrijwilligers actief. ‘Ome Tinus’ trekt al jaren de krijtlijnen, drie jonge techneuten onderhouden de site en een ploegje enthousiaste ouders organiseert elke maand een speurtocht voor de jeugd. 

Niet: 

Ons restaurant heeft visgerechten als specialiteit. 

Maar: 

Ons restaurant heeft visgerechten als specialiteit. Vooral de gebakken forel met remouladesaus zien onze gasten als een gastronomisch hoogtepunt. We moeten het echt niet in ons hoofd halen dit uit het menu te schrappen. 

Niet: 

Ik heb veel ervaring als kapster. 

Maar: 

Ik heb veel ervaring als kapster. Bij mijn huidige werkgever ben ik dé kleurenspecialist. Klanten die een balayage willen vragen specifiek naar mij. 

Kapsalon
Veel ervaring als kapster.

10. Laat werkwoorden werken 

Werkwoorden geven je tekst meer vaart. Zeker als je die vermaledijde naamwoordstijl loslaat.

Niet: 

De burgemeester verricht de opening van de tentoonstelling. 

Maar: 

De burgemeester opent de tentoonstelling. 

Of bedenk zelf een werkwoord:  

De zwemlerares flipflapt op haar slippers naar het bad.  

Zomaar een handjevol tips om aantrekkelijker te schrijven. Kun je er wat mee?

En wat zijn jouw gouden tips?

Spannende boeken lezen? Deze titels zijn echt aanraders:

ael Robotham – Gebroken

R.J. Ellory – Bekraste zielen

Nicci French – Vang me als ik val

Mo Hayder – Poppenspel

Stephen King – Mr. Mercedes

Mijn valkuil: schrijffoutten over het hoofd zien

Toetsenbord
Een oud brilletje. Ik behelp me ermee, want ik moet toch iets.

Bij de timmerman thuis klemmen de deuren, de longarts rookt als een schoorsteen en de mindfulnesstrainer schiet in de stress als het op een zonnige dag ineens begint te regenen. Als ondernemer of specialist moet je natuurlijk wel zelf het goede voorbeeld geven, anders kom je niet zo geloofwaardig over. Zelf heb ik me ooit bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onder de bedrijfsnaam Tekstbureau Prettig Leesbaar. Het leidt al geruime tijd een sluimerend bestaan. Maar mocht ik de draad ooit weer oppikken, dan moet ik er wel voor waken dat ik niet in mijn eeuwige valkuil donder: te snel willen leveren en daardoor schrijffouten over het hoofd zien. 

Ik heb ooit naast een aannemer gewoond. Over de staat van de werkplaats heb ik me altijd wat verbaasd: de regengoot lekte, de verf op de raamkozijnen was afgebladderd en als het stormde waaiden dakpannen en zelfs complete boeidelen mijn tuin in. Niet echt een visitekaartje. 

Geen haar beter

Maar laat ik eerlijk zijn: zelf ben ik geen haar beter. Jaren geleden heb ik Tekstbureau Prettig Leesbaar opgezet om incidenteel wat bij te klussen. Ook schreef ik levensverhalen.  En omdat ik van nature wat gehaast en slordig ben bleven er in mijn teksten regelmatig schrijffouten staan. Pas als ik het geduld kon opbrengen om een tekst uit te printen, een dagje te laten rusten en er daarna een frisse blik op te werpen kwam ik ze tegen en haalde ik ze er als de sodemieter uit. En dan vroeg ik mezelf vertwijfeld af waarom ik die fouten niet meteen had ontdekt. 

Veelvuldig gered

In mijn vorige baan, copywriter bij NCOI Opleidingen, werd ik veelvuldig gered. Alle copywriters laten daar hun teksten door een collega nalezen en dat kwam me niet slecht uit. Zo hoefde ik nooit bang te zijn dat er een mailing van mijn hand de deur uit ging met storende fouten in de tekst. Het voelde voor mij als de rijlessen die ik vroeger heb gevolgd. Ik kon mezelf gemakkelijk een stuur- of schakelfoutje veroorloven. De instructeur greep toch wel in. 

Zelf verantwoordelijk

Nu ik terug ben bij mijn oude vak, journalist/redacteur bij een uitgeverij van lokale kranten, sta ik er helemaal alleen voor. Ik maak op eigen kracht een krant die in Landsmeer en Oostzaan uitkomt en ben zelf verantwoordelijk voor de redactionele inhoud. Dus ook voor eventuele fouten. 

Ik moet zeggen dat het me allemaal goed afgaat. Nu er niemand over mijn schouder meeleest, ben ik meer gefocust, meer geconcentreerd. En vooral rustiger, wat misschien wel met mijn leeftijd te maken heeft. 

Peperdure lenzen

Lastig is het wel dat ik niet al te scherp zie. Ik draag peperdure, speciale lenzen, waarmee ik op honderd meter afstand met gemak een tor op een muur zie lopen. Een boek, de ochtendkrant of een tekst op mijn computerscherm lezen, daar heb ik dan weer een leesbril voor nodig. Maar dan willen de letters weleens voor mijn ogen dansen, dus ideaal is dat ook weer niet. 

Ik heb een ander probleem

Dat probleem heb ik nu niet. Ik heb een ander probleem. Mijn lenzen heb ik twee weken geleden terzijde gelegd, omdat ik last heb van mijn ogen – die dekselse pollen, vermoed ik. Ik behelp me nu met een brilletje dat ik tien jaar geleden droeg en uit voorzorg altijd heb bewaard. Erg veel zie ik daar niet mee, maar het is tenminste iets. Sterker nog: het brilletje zakt standaard naar het puntje van mijn neus, en dan tuur ik over het montuur heen. Ter compensatie zet ik de tekengrootte op het formaat Chocoladeletter en dan is het allemaal wel te doen. En ik lees alles woord voor woord rustig na. 

Cruciale fout

Nee, kapitale blunders verwacht ik niet meer. Ook niet als ik ooit mijn tekstbureau weer nieuw leven zou inblazen. Zeker zal ik niet meer de blunder maken die ik jaren geleden, in mijn vorige werkzame leven bij een krant, heb gemaakt. Een artikel over een kraslotenactie bij een lokale sigarenzaak. Met de ‘K’ op het toetsenbord gevaarlijk dicht bij de ‘L’ lag een cruciale fout op de loer. En zo kondigde ik de kraslotenactie in grote letters aan als krasklotenactie.