Stoptober: tabak van tabak

Sigarettenrook.
Sigarettenrook. Nooit dol op geweest.

Met de ene hand knijp ik mijn neus dicht, met de andere pak ik mijn T-shirt bij de boord tussen duim en wijsvinger vast en laat het in de wasmand vallen. Het is aan het eind van mijn werkdag geheel doorrookt. Elke keer weer. Zo was het tenminste lang geleden, toen ik in een vrij kleine redactiekamer werkte waar stevig werd gepaft. Niet door mij, overigens. Geen pretje, want los van de stank kamp ik met een lichte vorm van astma. Maar gelukkig werd roken in de ban gedaan en dat duurt voort. Steeds minder vaak sta ik ongevraagd in de rook. Een ontwikkeling die ik van harte toejuich. Ik ben dan ook zeer blij met de campagne Stoptober, die ook dit jaar plaatsvindt.  

Tja, roken. De lol en zin ervan heb ik nooit kunnen doorgronden. Op school werd er natuurlijk al mee geëxperimenteerd. En uit nieuwsgierigheid heb ik weleens een paar trekjes genomen. De rook brandde in mijn longen en ik werd overvallen door een onstuimige hoestbui. En dan die stank. Gatverdamme, wat smerig. Ik heb me er daarna nooit meer aan gewaagd. Dan maar niet stoer. Hoewel, ik vond het eigenlijk heel stoer om juist niet mee te doen. 

Elke ochtend een walm van sigarettenrook

Er viel in de tijd – veertig jaar geleden – natuurlijk niet aan te ontkomen. Dat begon ‘s ochtends al zodra ik uit mijn bed stapte en de huiskamer in liep. In een walm van sigarettenrook zat mijn vader op de bank. Hij startte elke dag op met een peuk.  

Was dat voor mij nog te doen, dramatisch waren de verjaardagen. Ik zie ze nog staan, naast de schalen met blokjes kaas, plakjes leverworst en gevulde eieren: de kokers met sigaretten – met en zonder filter – en de asbakken. Alle ooms en tantes in een kring en algauw begon het te stomen. Onvermijdelijk sloegen mijn ogen dicht en moest ik mijn toevlucht zoeken tot een nat washandje, dat ik tegen mijn oogleden drukte.  

Smeulende asbak
Een smeulende asbak. Lekker fris.

Ik greep per ongeluk in een stel borsten

Discotheekbezoeken – verschrikkelijk. Van de frisse buitenlucht rechtstreeks zo’n bedompte, donkere ruimte binnen. De glazen van mijn bril, die mij overigens kansloos maakte bij elk contact met leuke en desnoods oerlelijke meisjes, besloegen en met de handen voor mij uit liep ik het eerste halfuur gedesoriënteerd rond. Eén keer greep ik per ongeluk in een stel borsten. Ik moest tot op de bodem gaan om aan de vriend van het onthutste meisje uit te leggen dat hier geen opzet in het spel was. 

Op het werk werd dus ook gerookt. Maar op een zeker moment mocht het niet meer. Voor mij een feestelijke dag. Geen gerook meer in mijn nabijheid.   

Rookverbod
Op een voor mij feestelijke dag werd een algeheel rookverbod ingesteld.

Eens in de week reed ik naar het hoofdkantoor om de opmaak van een krant te begeleiden. Daar werd een rookruimte in het leven geroepen. Collega’s die niet zonder sigaret konden verzamelden zich daar een paar keer per dag voor een rookpauze. Soms ontkwam ik er niet aan. Dan moest ik even een collega raadplegen die zich daar ophield. Zodra ik de deur opende moest ik me door een verstikkende rookmassa wringen. Nadat ik de collega in kwestie had gesproken vluchtte ik de deur uit. 

Wat een waanzin. 

Drie types stonden doodleuk te roken

Bij mijn vorige werkgever, NCOI Opleidingen in Hilversum, werd al nergens meer gerookt, en in de andere bedrijven in de directe omgeving evenmin. Als alternatief waren voor de deur rookhokjes neergezet. Nooit zal ik vergeten hoe ik tijdens mijn dagelijkse lunchwandeling met een paar van mijn collega’s langs zo’n hokje liep. Het was moordend heet, de zon scheen echt ongenadig fel, en het hokje, zo groot als een bushalte, was van glas. En toch stonden daar drie types doodleuk te roken. Hoe krijg je het voor elkaar! Hoofdschuddend, vol onbegrip, heb ik mijn weg vervolgd. 

Nu wordt de samenleving steeds meer rookvrij. En de campagne Stoptober, die op diverse plekken officieel is gestart, helpt daar aan mee.    

Ik zit te denken: misschien word ik ooit opa. En misschien vraagt een kleinkind dan: ‘Opa, vroeger waren er toch mensen die rookten? Waarom?’ 

En dan zal ik in alle eerlijkheid antwoorden: ‘Geen flauw idee, lieverd. Ik heb dat nooit begrepen.’ 

Een dag om bij stil te staan

Bliksem, een van mijn huisgenoten.
Vragende blik van Bliksem.

Het was gisteren een reguliere zaterdag. En toch was hij, los van de extreme hitte die nogal verlammend werkte, anders dan anders. We merkten het aan poes Coos en kat Bliksem. Ze keken ze ons de gehele dag vragend aan, alsof ze iets verwachtten. De blikken werden steeds intenser, Bliksem legde zelfs even een pootje op mijn knie, en af en toe klonk er een klaaglijk miauwtje. Konden ze maar praten, dan zouden we het snappen. Pas later, te laat eigenlijk, begreep ik het omdat ik het toevallig op de social media voorbij zag komen. Het was Internationale Kattendag. Sorry, wist ik niet. 

Ik troost me met de gedachte dat Coos en Bliksem het bij ons reuze naar hun zin hebben en dat ze niets te kort komen. Tenminste, daar heeft het alle schijn van. Ze zijn vooral blij als de kinderen bij mij zijn; dan is het plaatje compleet. Ze nestelen zich in een hoekje en rollen zich dik tevreden op en soms komen ze een knuffel halen. Als we gaan pitten, kruipen ze gezellig bij Dave in bed. Af en toe lassen ze een speeluurtje in, want het zijn toch nachtdieren, en dan stuiven ze door de lange gang van mijn appartement. Overdag gaan ze lekker lummelen en komen ze als ze daar zin in hebben bij ons op de bank liggen – want zelf zijn we ook niet bovenmatig actief.  

Het moesten twee binnenkatten zijn

Coos en Bliksem wonen nu een klein jaartje bij mij. Ik heb ze mijn twee kinderen cadeau gedaan omdat ze hun schooljaar met succes hadden afgesloten. Het was wel even zoeken. Ik wilde per se twee katten, omdat één kat zich thuis misschien tot geeuwens zou vervelen als ik naar mijn werk en de kinderen naar school zouden gaan. En dan moesten het ook nog eens binnenkatten zijn. Ik woon in het centrum van Purmerend en als ik ze op het dakterras zou laten rondhuppelen zou ik ze op een zekere dag hoogstwaarschijnlijk kwijt zijn. Ze kunnen gemakkelijk het dak op en zie ze dan maar eens terug te krijgen.  

Het is allemaal goed gekomen. In Boxtel vonden we het perfecte stel: een onafscheidelijk koppel, niet eens broer en zus, dat gewend is aan een leven binnenshuis. Het was even wennen voor ze, maar binnen twee weken hadden ze hun schroom overwonnen, vertrouwden ze ons en begon hun onbekommerde leven in Purmerend. En nog steeds ogen ze dolgelukkig.  

Kat in een krat.
Bliksem vindt regelmatig een nieuw plekje.
Coos
Coos is permanent tevreden.

Maar hoe leg ik ze het principe van een hordeur uit? 

Er wachtte een aangename verrassing

Toen ik onlangs van een korte vakantie met mijn kinderen thuiskwam, wachtte mij een aangename verrassing. Mijn allerliefste vriendin had mijn dakterras bij wijze van verjaardagscadeau opgeleukt met een gezellig kleedje, fraaie kunstbloemen – ze weet inmiddels dat planten water geven er bij mij standaard bij inschiet – ludieke decoraties in de vorm van lege bierflesjes met een (kunst)tulp erin en lampjes. Maar ook had ze de laatste hand gelegd aan de hordeur. We waren er al eens aan begonnen, maar het puntje op de i ontbrak nog. 

Dakterras opgeleukt.
Een verjaardagscadeau van mijn vriendin.

Juist nu het zo godvergeten heet is profiteer ik van die hordeur. Maar Coos en Bliksem snappen er he-le-maal niets van. Ze zien me buiten zitten, horen me praten, maar toch kunnen ze niet bij me komen. Gelukkig proberen ze het ook niet; ze blijven netjes achter het gaas. Maar raar blijft het. 

Zelfs afgelopen zaterdag was het ze niet gegund om gezellig bij hun baasje te komen zitten. En het was nog wel hún dag.   

file:///C:/Users/Gebruiker/OneDrive/Documenten/Momentje%20voor%20Marcel/Filmpje.html

Motoren kwellen mijn oren

Mag het ietsje minder?

Het is een zwoele avond, geen zin om te koken na een drukke werkdag, en met mijn twee kinderen zit ik op een terras in mijn woonplaats Purmerend. Gretig neem ik de eerste slok van mijn witbiertje, vers getapt in een glas zo groot als een vuilnisemmer. En dan schrik ik en verslik me. Want schuin achter me, zeer in mijn nabijheid, weerklinkt het gebrul van twee startende motoren. Geen bescheiden gezoem zoals ik dat ken van mijn stofzuiger, ook niet het volume van een grasmaaier die wordt aangezet, nee, een bak herrie met orkaankracht. Ik kijk vol irritatie om en zie twee in leder gehulde, gehelmde types op een motor zitten. Al te veel haast maken ze niet. En zodra ze eindelijk met veel kabaal wegrijden, denk ik: stel aso’s. Hier moet toch iets aan te doen zijn? De volgende dag word ik op mijn wenken bediend. 

Ik sla de ochtendkrant open en veer op zodra ik op de kop van het artikel stuit: ‘Motorrijder wordt paria van de weg: verzet groeit’. En de subkop: ‘Actiegroepen tegen geluidsoverlast bundelen landelijk hun krachten’. Yes! Het moment kan niet beter worden gekozen. 

Enorme feestvreugde

Begrijp me goed: ik gun iedereen zijn hobby en gewoontes. Als ik er maar geen last van heb. Al eerder ontstak ik in een enorme feestvreugde, tegen het emotionele aan, toen het roken aan banden werd gelegd. Achteraf is het voor mij bijna onvoorstelbaar dat ik ooit een werkruimte met de omvang van een bushokje heb gedeeld met vier collega’s, van wie er twee rookten. De gehele kamer stond bij het krieken van de dag al blauw en zo bleef het. Eenmaal thuis gooide ik mijn doorrookte T-shirt met een vies gezicht in de wasmand. Geef me één reden waarom je zou moeten roken, vroeg ik me daarbij vertwijfeld af.  

Dit was toen allemaal doodnormaal. Maar roken is in de ban en ik ben ervan verlost. Wel lekker hoor, als je aan een lichte vorm van astma lijdt. 

Uit, die sigaretten. Zo heb ik het altijd graag gezien.

Nu erger ik me vaak kapot aan de herrie die motorrijders veroorzaken. Vanwege de hoge temperaturen houd ik me vaak op mijn dakterras op en ook hier wordt de rust vaak verstoord. Oké, ik woon in het centrum van Purmerend en dan verwacht ik niet dat hier permanent een weldadige stilte heerst met hooguit een krijsende meeuw die overvliegt, maar om nou op nog geen honderd meter afstand een motor aan te zetten en te laten loeien, dat lijkt me niet echt nodig. 

Daarin word ik ondersteund door een motorrijder die ik ooit heb gesproken. Hij zei dat het heel goed mogelijk, en vooral fatsoenlijk, is om zonder geluid met je motor aan de hand naar de autoweg te lopen, daar op te stappen en dan pas het contactslot om te draaien.  

Kennelijk kan het dus wel. 

In het krantenartikel staat dat slechts een klein deel van de motorrijders er genoegen in schept om zo hard mogelijk met een hoog toerental en bijbehorende herrie over dijken en bochtige wegen te scheuren. Zal best, en ook hiermee kan ik leven, maar nabij een terras? Is dat echt nodig? 

Misschien komt het allemaal goed. De Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen is in de maak en daar kunnen de negen (!) actiegroepen die inmiddels zijn opgericht zich bij aansluiten. Samen één machtige vuist tegen motorlawaai. Actiegroepen willen nog wel eens met succes een discussie aanzwengelen, dus er is hoop. Op mijn steun kan ik de overkoepelende organisatie alvast rekenen. Dat zal haar goed doen. 

Avontuur in Lloret de Mar

Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik sowieso weinig met motoren en brommers heb. Als tiener koos ik liever voor de fiets of de bus. Toch heb ik me er één keer aan gewaagd. Het was op zijn minst een slecht idee.  

Het is ruim dertig jaar geleden gebeurd tijdens een vakantie met drie makkers in Lloret de Mar. In die tijd was ik nog wat onbezonnen. En dus stemde ik ermee in off the road motoren te huren en daarmee door de bergen te rijden. Ik had nog nooit op een brommer of motor gezeten, zelfs niet achterop, laat staan op zo’n crossgeval. Het was vragen, nee: sméken om problemen. En die kreeg ik dan ook. 

Hotseknotsend over kleine en grote keien

Voor mij duurde de rit tien minuten. In het begin, op de rechte stukken, ging het nog wel. In het bergachtige binnenland liep het mis. Ik reed achter een van mijn makkers een redelijk steile heuvel op en bijna bij de top hield hij in. Ik was er niet op bedacht. Om niet tegen hem op te botsen, draaide ik in een reflex mijn stuur naar links en gaf onbedoeld een dot gas. Ik stormde via de zijkant van de heuvel naar beneden en hotseknotste over kleine en grote keien. En toen kwam ik ten val. De scherpe stenen gaven niet mee en ik liep bloederige wonden op op hoofd, arm en been – uiteraard droeg ik geen helm, maar wel een T-shirt en korte broek. Lekker zomers. 

De snee in mijn onderarm was twintig centimeter lang en in het midden bijna een halve centimeter breed. Het bloed gutste eruit en ik meende zelfs nog een deel van een pees te zien. Op zichzelf best interessant.  

Met behulp van mijn makkers kwam ik in het plaatselijke ziekenhuis terecht. De dienstdoende chirurg zat aan de koffie en leidde me hoofdschuddend naar een operatiekamer. Ik was niet de eerste roekeloze vakantieganger die moest worden gehecht en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste. Echt een vakman vond ik het niet. De snee heeft hij niet mooi gehecht en is nog steeds duidelijk te zien. Er gingen geruchten dat hij een omgeschoolde machinebankwerker was. Ik heb er maar geen werk van gemaakt.