Pijnlijke comeback op de tennisbaan

Comeback op de tennisbaan.
Dertig jaar niet meer getennist. Het was even wennen.

De tennisbal stuitert links naast me. Als ik een snelle draai maak en schuin naar achteren stap móet ik hem met een backhand terug kunnen slaan. Tenminste, dertig jaar geleden lukte me dat bij deze balsport nog weleens. Nu niet. Ik raak uit balans en kom ten val. Het ziet er volgens mij verre van elegant uit – ik denk dat mijn kinderen blij zijn dat er niemand in de buurt is. Mijn linker onderarm schuurt over het gravel en mijn schouder en achterhoofd volgen. Dit soort tennistoeren moet ik op mijn 59ste gewoon niet meer willen uithalen, concludeer ik terwijl ik de pijn weg lach. Een wijze les voordat ik met mijn dochter Joy straks wekelijks ga tennissen. 

Een maandje geleden vroeg ze me of ik met haar wil tennissen. Geen van haar vriendinnen deelt de liefde voor deze sport, en daarmee kwam ik in beeld. Ik zei volmondig ja. Heerlijke sport, lekker in de buitenlucht en een beetje bewegen kan in mijn geval bepaald geen kwaad. En dan ook nog eens met mijn dochter! Ik heb ons aangemeld bij de kleine, gezellige tennisvereniging LTC Beem-Star in Middenbeemster en binnenkort gaan we beginnen. Veel zin in.  

Kans op succesvolle treffer groot

Lang geleden tenniste ik al. Niet vaak en zeker niet fanatiek, maar gewoon af en toe voor de lol. Ik beheers deze tak van sport redelijk. Als ik niet te snel naar de bal ga, maar hem rustig laat stuiteren, mijn arm voldoende naar achteren breng, geconcentreerd sla en mijn arm doorzwaai, is de kans op een succesvolle treffer best groot. 

Ik tenniste vooral tijdens vakanties. Met ouders en broers streken we neer op bungalowparken en dan gingen de rackets mee. Want een beetje bungalowpark heeft een tennisbaan. We huurden die een paar keer en dan scheerden de ballen twee uur lang over het net. Nou ja, óver het net… ze belandden ook vaak ín het net en ze vielen er ook weleens met een pisboogje net achter.

Maakte niet uit. We hadden er lol in. 

Prima reflexen

De basistechnieken had ik toen dus aardig onder de knie. Daarnaast bleek ik over prima reflexen te beschikken. Vooral kort bij het net wist ik ballen met allerlei kunstgrepen te retourneren.  

Mijn geheime wapen – dat nooit lang geheim bleef – was een verrassende, wonderlijke backhand. Dat zette ik in als een bal links achter mij ver in het achterveld verdween. Dan zette ik een sprintje in en sloeg de bal op de een of andere manier achterwaarts terug. Dat voelde heel raar en onnatuurlijk. Alsof mijn rechter schouderblad een decimeter naar links schoof. Geen idee hoe ik het deed, maar een feit is dat een bijna onmogelijk te halen bal twee seconden later over het net vloog en binnen de lijnen van het veld van mijn onthutste tegenstander stuiterde, die dacht dat het punt al binnen was. 

Gravelveld omgetoverd in tennisbaan

Getennist heb ik ook bij de toenmalige roemruchte voetbalclub Rood Wit-A in Amsterdam-Noord, waarvan ik lid was. Onder de leden zaten veel tennisliefhebbers en een aantal van hen heeft een tenniscommissie opgericht. Het gravelveld waarop normaal gesproken werd getraind werd in de zomermaanden omgetoverd in een tennisbaan. Daar heb ik regelmatig gebruik van gemaakt. Ik was op de vrijdagmiddag vrij – een aardigheidje van mijn eerste werkgever, Buma/Stemra – en mijn tennismaatje Bert Heijselaar ook. En dus troffen we elkaar elke vrijdagmiddag in alle rust op het voetbalcomplex. Hij was een maatje te groot voor me, maar hij hield zich netjes in en daardoor bleef het leuk.  

Maar dat was toen. 

Een geschikt moment

Dertig jaar later – om precies te zijn: op zondag 26 juli jongstleden om 13.00 uur op het vakantiepark ‘t Hooge Holt in Gramsbergen – heb ik racket en bal weer opgepakt. Ik was zojuist 59 geworden en van mijn kinderen mocht ik deze dag invullen zoals ik dat graag zou willen. We zouden sowieso een keer gaan tennissen en dit leek me een geschikt moment. 

Na de valpartij – we waren al twee minuten aan het tennissen – kwam ik tot de even reële als pijnlijke constatering dat mijn wendbaarheid, die al niet zo gek veel voorstelde, in de loop der jaren ernstig is afgenomen. Eigenlijk is er niets meer van over. Maar de techniek zit er nog best in.  

Zoeken naar verdwaalde ballen

Diverse ballen zeilden hoog over het net – en zelfs over de omheining. Kostbare minuten gingen verloren aan het zoeken naar verdwaalde ballen, al kwam de onbedoelde rustpauze me ook wel weer goed uit, want godsamme wat scheen die zon ongenadig. Niet zelden moest ik tot aan mijn elleboog graven in struiken vol doornen en scherpe takken. Mijn onderarm en benen kwamen onder bloederige schrammen te zitten. Samen met de blauwe plekken en schaafwonden die ik al eerder had opgelopen leverde dat een levendig kleurenspel op. 

Maar ik heb heerlijk getennist. En ik kijk uit naar de partijen met mijn dochter bij Beem-Star, waar gelukkig weer vrijuit kan worden getennist

Er wacht wel een nieuw probleem. De ongeschreven regel is dat leden bardiensten draaien óf onkruid gaan wieden. Ik heb voor het laatste gekozen. Bestellingen aan een bar verwerk ik net zo snel als een ace die langs mijn oren suist. Dan kuis ik liever de paden langs de tennisbanen met hark en schoffel. Dat resulteert onherroepelijk in jeukende en pijnlijke blaren door de brandnetels. Maar goed, die trekken wel weer weg. 

Brandnetels.
Brandnetels. Een vervaarlijke tegenstander op de tennisbaan.

Graven naar het verleden

Na een archeologisch onderzoek zijn muurtjes van het Slot Purmersteyn op exact dezelfde plek opnieuw gemetseld.

De regen stroomt langs de schuine tuimelramen in mijn woonkamer. Grijze wolken vertellen mij dat het voorlopig niet droog wordt. Windvlagen fladderen om het dak. Niet ideaal, op deze vakantiedag. Maar wel een mooi excuus om binnen, achter mijn laptop met een glas dampende muntthee naast me en de lyrische klanken van Claude Debussy op de achtergrond, schrijfmeters te maken. Een nieuw hoofdstuk aan mijn historische roman toevoegen, maar ook onderzoek doen. Ik blijf graven en stuit nog steeds op nieuwe informatie. Daar zitten regelmatig prachtige parels tussen. 

Was jij vroeger ook zo dol op huiswerk? Nou, ik evenmin. Opdrachten raffelde ik af en leerstof keek ik vluchtig en globaal door. Veel te lui om te leren. Gelukkig was ik zeer bedreven in sjoemelen. 

Handzame spiekbrief

Mijn schoolspullen vervoerde ik in een plastic tas, zoals die bij de winkels werden uitgedeeld, en dan het liefst een witte of gele, in ieder geval een lichte kleur. De tas met inhoud legde ik tijdens een proefwerk naast me op de lessenaar, en dan zo dat de woordenlijst die ik in mijn hoofd had moeten stampen, een handzame spiekbrief of een schoolboek, opengeslagen op de meest relevante pagina, bovenop lag. Zodra ik het plastic van de tas een beetje strak trok, kon ik er vrij gemakkelijk doorheen kijken.  

Tijdens de lessen economie zat ik naast een vensterbank waarop dozen met schoolmateriaal stonden. Het kon niet mooier. Een dag voordat er een proefwerk of toets op het programma stond, krabbelde ik op zijkant van een van de dozen alvast de begrippen met definitie die zouden worden gevraagd, zoals inflatie en deflatie, aandelen en obligaties. Ook dit werkte uitstekend. 

Zo scoorde ik altijd wel een zesje of zeven, en daar was ik dik tevreden mee.  

Gesnapt ben ik nooit. Juist omdat ik open en bloot mijn zelf aangelegde bronnen raadpleegde viel het niet op; dat was anders geweest als ik stiekem bij mijn buurman zou afkijken of steels een spiekbriefje uit mijn zak zou toveren. Dat was nou net waarop scherp werd gelet. 

Het leukste om te doen

Maar hoe anders was het als er een werkstuk moest worden gemaakt. Terwijl de meeste klasgenoten uit afgrijzen begonnen te zuchten, veerde ik enthousiast op. Dit was voor mij het leukste om te doen. 

Internet bestond nog niet, maar bibliotheken wel. Stapels boeken sleepte ik naar huis om allerlei informatie op te zoeken – over exotische planten voor het vak biologie, de handel in Japan voor aardrijkskunde en Karel de Grote voor geschiedenis. Het resulteerde in lijvige, onderhoudende en prettig leesbare werkstukken, compleet met foto’s die ik uit de boeken had gekopieerd – en nee, ik had ze er niet uit geknipt of gescheurd! 

Ik kreeg er hoge cijfers voor. Een enkele docent vroeg zich wel hardop af of ik het allemaal wel zelf had gedaan. Dat zag ik dan maar als een compliment. 

De oude typemachine van mijn vader

Ook los van school maakte ik werkstukken. Gewoon voor mezelf. Dan ploos ik alles uit over mijn favoriete buitenlandse voetbalclub (Dynamo Kiev) of popgroep (Roxy Music). Zodra ik voldoende informatie had sloeg ik aan het tikken. Ik mocht de oude typemachine van mijn vader gebruiken en een klein tafeltje diende als bureau. Typen had ik mezelf aangeleerd; gewoon een kwestie van veel doen. 

De Domtoren in Utrecht speelt in mijn boek een prominente rol.

Met hetzelfde plezier als in mijn jeugd werk ik nu aan mijn historische roman. Het verhaal speelt in het begin van de achttiende eeuw en draait om de laatste telg van een vooraanstaande regentenfamilie uit Hoorn. Een sieraad voor de familie was hij bepaald niet; hij heeft de goede naam nogal te grabbel gegooid. Jammer voor de familie, maar zeer bruikbaar en interessant voor een boek. De grote lijn bestaat uit feiten die ik heb opgediept – tot mijn grote verrassing is er over hem heel veel bewaard en gedocumenteerd. 

Domtoren speelt prominente rol

De hoofdpersoon heeft bovendien – direct of indirect – raakvlakken met bronnen waarvoor ik echt niet diep hoef te graven: de regententijd in Hoorn, de Zeeuwse kust, de Domtoren in Utrecht, de Gevangenpoort in Den Haag en Slot Purmersteyn in Purmerend. Ogenschijnlijk hebben ze niets met elkaar te maken, maar vergis je niet. De hoofdpersoon van mijn roman is de verbindende factor. Heerlijk om dit allemaal uit te vogelen en er een boeiend verhaal van te maken.  

De teller staat nu op 16.115 woorden. Morgen regen? Nou, dan graaf en tik ik gewoon weer verder. 

Graven naar het verleden. Machtig interessant en leuk om te doen.

Een boek, dat is andere koek

Boekenwinkel
Mijn ambitie is dat mijn historische roman over een jaar in de winkel ligt.

Een golf van wanhoop spoelde door zijn lichaam. Maar hij vermande zich. Hij was immers een Sonck. De kerker was een hok van nog geen vier bij vier meter. Er kwam wat licht door het getraliede raam, hoog in de muur tegenover de deur. Links stond zijn bed. Een houten ledikant met daarop een dun, verschoten matras. Er lagen een slordig opgevouwen, vergeeld laken op en een donkerbruine deken. In de hoek stond een houten tafeltje met twee stoelen. Twéé stoelen? Voor wie was die tweede stoel? Voor bezoekers? Een smalend lachje ontsnapte aan zijn lippen. Nee, bezoek verwachtte hij niet. 

Een willekeurig stukje uit de eerste versie van de historische roman die ik aan het schrijven ben. Taaie klus, maar o zo heerlijk om te doen. Het is mijn grote ambitie en wens om dit boek rond mijn zestigste verjaardag – op 26 juli 2021 – uit te brengen. Mag iets eerder, mag ook iets later. Dat het allemaal precies volgens een planning moet gebeuren, dat is een valkuil waar ik vroeger al diverse malen in ben gedonderd. Tegenwoordig loop ik er behoedzaam omheen. 

Een nauwelijks te bedwingen schrijfdrang

Ik word mijn leven lang prettig geplaagd door een nauwelijks te bedwingen schrijfdrang. Herken je dat? Dat kriebelende bloed? Dat opgetogen gevoel in de onderbuik, het gevoel dat daar iets opwelt dat eruit moet? Het overkomt mij als ik voor mijn krant iemand heb geïnterviewd. Eerst aanbellen met een leeg notitieblok in mijn tas, na een uurtje de deur uit met volgeschreven vellen, vellen met citaten, aantekeningen en steekwoorden (aan gesprekken opnemen doe ik niet) en onderweg naar huis of kantoor het verhaal in mijn hoofd alvast componeren. Maar soms begin ik vanuit mijn gevoel gewoon te tikken en dan ontvouwt zich, zin voor zin, het verhaal automatisch. Nog leuker vind ik dat. 

Zo schrijf ik mijn blogs ook. Het begint met een ideetje, een schopje in mijn maagstreek – zou dat bij een zwangere vrouw ook zo voelen? Dan laat ik alles vallen waarmee ik bezig ben en log in in mijn WordPress-account. En dan ontstaat er een verhaal. Foto’s erbij zoeken, linkjes plaatsen, aansprekende kop bedenken, nog even de tik- en schrijffouten eruit halen en daarna publiceren en doorzetten naar Facebook en LinkedIn. 

En nu dus een boek. En dat is andere koek.  

Een staart met een krul erin

Ik heb al eerder boeken geschreven, voornamelijk levensverhalen, maar dat zijn eigenlijk uitgebreide uitwerkingen van interviews, het werk dat ik al doe en beheers. De basis vormt de informatie die mij tijdens de serie vraaggesprekken is aangereikt. En dan is het aan mij om alle aantekeningen om te zetten in een boeiend boek met een kop en een staart – het liefst met een krul erin. Ik heb al een aantal levensverhalen op mijn naam staan. 

Levensverhalen
Ik heb een aantal levensverhalen op mijn naam staan.

Maar een boek schrijven, waarvoor ik een uitgever wil interesseren en dat uiteindelijk in de winkel moeten komen te liggen… daar komt iets meer bij kijken.  

Roman gebaseerd op feiten

Mijn roman speelt in het begin van de achttiende eeuw en is gebaseerd op feiten. Die zijn op zichzelf al interessant genoeg. Ik heb een rijke schat aan informatie opgediept. De hoofdpersoon, die echt heeft bestaan, heeft zo zijn sporen achtergelaten en tot mijn grote verrassing is er veel bewaard gebleven. Met dank aan Google en twee historische verenigingen die ik heb geraadpleegd. 

Maar daarmee heb ik nog geen boek, dat van begin tot eind boeit. Het is geen kwestie van alle informatie chronologisch achter elkaar zetten. Ik moet er bovendien nog heel veel bij verzinnen. 

Het project loopt uitstekend, maar wel langzaam. Dat geeft niet; ik heb geen haast. Ik ben al eens eerder, twee keer zelfs, aan een boek begonnen en dat moest toen allemaal snel-snel. Geen plan, geen structuur, gewoon tikken-tikken-tikken. Totdat ik strandde en alles ophield. 

Mijn 3 inspiratiebronnen

Ik bouw het nu rustig op. Gisteren hoofdstuk 7 getikt en tot nu toe ben ik best tevreden. Maar af en toe stokt het. En dan moet ik me even laven aan mijn inspiratiebronnen, want dat heb ik af en toe nodig om weer op gang te komen.  

Ik heb er 3. 

Mijn grootste inspiratiebron is Stephen King. Een oeuvre waar je helemaal duizelig van wordt. Spannende boeken, vaak een decimeter dik, geschreven in een prettige verteltrant en met een enorme fantasie. Met als hoogtepunten The Shawshank Redemption en The Green Mile – boeken die ik keer op keer herlees en die beroemde films hebben opgeleverd. Bijna elk boek van hem is verfilmd en misschien liggen er nu filmmakers met elkaar te rollebollen omdat ze allemaal met het vorig jaar verschenen boek – Het Instituut – aan de slag willen. Stephen King heeft ook een boek over het schrijverschap uitgebracht. Gouden tips staat daarin, die ik regelmatig nalees. 

Het Instituut
Weer een boek van Stephen King.

Inspirerend is voor mij ook de site van Dennis Rijnvis. Een rijkdom aan stimulerende blogs, tips en aanbevelingen, met verwijzingen naar aansprekende voorbeelden – onder meer uit het oeuvre van Stephen King. Zelf heeft Dennis ook een succesvol boek geschreven, dus hij roept niet zomaar wat. 

Soepel geschreven pageturner

Mijn derde inspiratiebron is Lisa van Campenhout. Talentvolle oud-collega, die onlangs debuteerde met Bijna Echt, een verfrissende, originele en soepel geschreven pageturner voor young adults (maar eigenlijk voor elk lezerspubliek).

Bijna Echt
Bijna Echt, het debuut van mijn ex-collega Lisa van Campenhout.

Toen we nog collega’s waren wandelen we vaak in onze lunchpauze over de Hilversumse heide. En dan praatten we over het schrijven van boeken, een gedeelde droom. Eerst schrijven, later inkleuren, gaf Lisa ooit als tip. En ook zij weet waar ze over praat. Het bewijs ligt in diverse boekenwinkels.

De tip van Lisa heb ik altijd onthouden. Het was voor mij zelfs een eye-opener, want bij mij moest het aanvankelijk allemaal in één keer perfect en compleet zijn, en daarmee liep ik geheid vast. Ik schrijf nu meer ontspannen, met meer plezier, in het besef dat het niet in één keer goed hoeft te zijn. Aanpassen en herschrijven kan altijd. 

Met mijn roman zit ik nu op ongeveer 9.300 woorden. Het begin is er. De omslag ook, want mijn ex heeft daar op mijn verzoek een prachtige tekening voor aangeleverd. Nog pakweg 70.000 woorden te gaan – op naar mijn zestigste verjaardag. Geloof me, het wordt een mooi boek. 

Nog een jaartje geduld.

Motoren kwellen mijn oren

Mag het ietsje minder?

Het is een zwoele avond, geen zin om te koken na een drukke werkdag, en met mijn twee kinderen zit ik op een terras in mijn woonplaats Purmerend. Gretig neem ik de eerste slok van mijn witbiertje, vers getapt in een glas zo groot als een vuilnisemmer. En dan schrik ik en verslik me. Want schuin achter me, zeer in mijn nabijheid, weerklinkt het gebrul van twee startende motoren. Geen bescheiden gezoem zoals ik dat ken van mijn stofzuiger, ook niet het volume van een grasmaaier die wordt aangezet, nee, een bak herrie met orkaankracht. Ik kijk vol irritatie om en zie twee in leder gehulde, gehelmde types op een motor zitten. Al te veel haast maken ze niet. En zodra ze eindelijk met veel kabaal wegrijden, denk ik: stel aso’s. Hier moet toch iets aan te doen zijn? De volgende dag word ik op mijn wenken bediend. 

Ik sla de ochtendkrant open en veer op zodra ik op de kop van het artikel stuit: ‘Motorrijder wordt paria van de weg: verzet groeit’. En de subkop: ‘Actiegroepen tegen geluidsoverlast bundelen landelijk hun krachten’. Yes! Het moment kan niet beter worden gekozen. 

Enorme feestvreugde

Begrijp me goed: ik gun iedereen zijn hobby en gewoontes. Als ik er maar geen last van heb. Al eerder ontstak ik in een enorme feestvreugde, tegen het emotionele aan, toen het roken aan banden werd gelegd. Achteraf is het voor mij bijna onvoorstelbaar dat ik ooit een werkruimte met de omvang van een bushokje heb gedeeld met vier collega’s, van wie er twee rookten. De gehele kamer stond bij het krieken van de dag al blauw en zo bleef het. Eenmaal thuis gooide ik mijn doorrookte T-shirt met een vies gezicht in de wasmand. Geef me één reden waarom je zou moeten roken, vroeg ik me daarbij vertwijfeld af.  

Dit was toen allemaal doodnormaal. Maar roken is in de ban en ik ben ervan verlost. Wel lekker hoor, als je aan een lichte vorm van astma lijdt. 

Uit, die sigaretten. Zo heb ik het altijd graag gezien.

Nu erger ik me vaak kapot aan de herrie die motorrijders veroorzaken. Vanwege de hoge temperaturen houd ik me vaak op mijn dakterras op en ook hier wordt de rust vaak verstoord. Oké, ik woon in het centrum van Purmerend en dan verwacht ik niet dat hier permanent een weldadige stilte heerst met hooguit een krijsende meeuw die overvliegt, maar om nou op nog geen honderd meter afstand een motor aan te zetten en te laten loeien, dat lijkt me niet echt nodig. 

Daarin word ik ondersteund door een motorrijder die ik ooit heb gesproken. Hij zei dat het heel goed mogelijk, en vooral fatsoenlijk, is om zonder geluid met je motor aan de hand naar de autoweg te lopen, daar op te stappen en dan pas het contactslot om te draaien.  

Kennelijk kan het dus wel. 

In het krantenartikel staat dat slechts een klein deel van de motorrijders er genoegen in schept om zo hard mogelijk met een hoog toerental en bijbehorende herrie over dijken en bochtige wegen te scheuren. Zal best, en ook hiermee kan ik leven, maar nabij een terras? Is dat echt nodig? 

Misschien komt het allemaal goed. De Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen is in de maak en daar kunnen de negen (!) actiegroepen die inmiddels zijn opgericht zich bij aansluiten. Samen één machtige vuist tegen motorlawaai. Actiegroepen willen nog wel eens met succes een discussie aanzwengelen, dus er is hoop. Op mijn steun kan ik de overkoepelende organisatie alvast rekenen. Dat zal haar goed doen. 

Avontuur in Lloret de Mar

Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik sowieso weinig met motoren en brommers heb. Als tiener koos ik liever voor de fiets of de bus. Toch heb ik me er één keer aan gewaagd. Het was op zijn minst een slecht idee.  

Het is ruim dertig jaar geleden gebeurd tijdens een vakantie met drie makkers in Lloret de Mar. In die tijd was ik nog wat onbezonnen. En dus stemde ik ermee in off the road motoren te huren en daarmee door de bergen te rijden. Ik had nog nooit op een brommer of motor gezeten, zelfs niet achterop, laat staan op zo’n crossgeval. Het was vragen, nee: sméken om problemen. En die kreeg ik dan ook. 

Hotseknotsend over kleine en grote keien

Voor mij duurde de rit tien minuten. In het begin, op de rechte stukken, ging het nog wel. In het bergachtige binnenland liep het mis. Ik reed achter een van mijn makkers een redelijk steile heuvel op en bijna bij de top hield hij in. Ik was er niet op bedacht. Om niet tegen hem op te botsen, draaide ik in een reflex mijn stuur naar links en gaf onbedoeld een dot gas. Ik stormde via de zijkant van de heuvel naar beneden en hotseknotste over kleine en grote keien. En toen kwam ik ten val. De scherpe stenen gaven niet mee en ik liep bloederige wonden op op hoofd, arm en been – uiteraard droeg ik geen helm, maar wel een T-shirt en korte broek. Lekker zomers. 

De snee in mijn onderarm was twintig centimeter lang en in het midden bijna een halve centimeter breed. Het bloed gutste eruit en ik meende zelfs nog een deel van een pees te zien. Op zichzelf best interessant.  

Met behulp van mijn makkers kwam ik in het plaatselijke ziekenhuis terecht. De dienstdoende chirurg zat aan de koffie en leidde me hoofdschuddend naar een operatiekamer. Ik was niet de eerste roekeloze vakantieganger die moest worden gehecht en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste. Echt een vakman vond ik het niet. De snee heeft hij niet mooi gehecht en is nog steeds duidelijk te zien. Er gingen geruchten dat hij een omgeschoolde machinebankwerker was. Ik heb er maar geen werk van gemaakt.  

Het ultieme vaderdagcadeau

Engels ontbijt als vaderdagcadeau.
Een compleet Engels ontbijt. Een groter plezier kunnen mijn kinderen mij niet doen.

Om negen uur klonk gestommel in de slaapkamers van de kinderen – opvallend vroeg, want meestal blijft het daar op zondag tot tegen twaalven doodstil. De avond ervóór had Joy het me al streng verboden zelf te ontbijten. De kinderen liepen de deur uit en na een halfuur keerden ze terug. Dave sommeerde me op het dakterras te gaan zitten tot ik weer naar binnen mocht. En na een kwartier kwam het bevrijdende bericht: mijn cadeau stond klaar. Een compleet Engels ontbijt: gebakken ei met spek, witte bonen in tomatensaus, twee kloeke worsten, geroosterd brood met jam en twee muffins. Voor mij het ultieme vaderdagcadeau. 

Tja, Vaderdag. Als kind kwam ik jaar na jaar met hetzelfde cadeau aanzetten: een asbak van klei. Die maakte ik op school. Voor mijn vader was het op een gegeven moment al geen verrassing meer. ‘Toch niet weer een asbak, hè?’ riep hij al bij voorbaat. En liever ook geen ontbijt op bed. Al die beschuitkruimels tussen de lakens… 

Veel knutselwerken heb ik bewaard

Nee, dan mijn eigen Vaderdag. Daar heb ik altijd al ontzettend veel lol aan beleefd. Op de lagere school bedachten ze steeds iets nieuws. Van een kartonnen slak en houten fotostandaard tot een pennenhouder en placemat. Veel van die knutselwerken heb ik bewaard. Die slak, het eerste vaderdagcadeau dat ik van Dave heb mogen ontvangen, neemt zelfs een ereplaatsje in boven op mijn boekenkast.  

Vaderdagcadeau.
Het eerste vaderdagcadeau dat ik van Dave heb mogen ontvangen.

Het voor mij jaarlijkse hoogtepunt heeft een nieuwe dimensie gekregen zodra de kinderen tieners werden. Ze weten dat ik van veel en lekker eten houd. Daar kunnen ze ook niet omheen. Ik schep ’s avonds minimaal twee keer op en restjes hark ik eveneens naar me toe. Los daarvan praat ik de godganse dag over eten. 

Uitgebreid ontbijt

En dus mag ik ieder jaar met Vaderdag op een uitgebreid ontbijt op bed rekenen. Dat kostte me in het begin wel wat moeite. Jaren geleden was ik nog veel ongeduldiger dan nu. Bovendien stond ik elke ochtend rond zeven, acht uur op en dan scheurde ik van de honger. Ik werd echter geacht tot een uur of elf in mijn bed te blijven liggen voordat er iets gebeurde. Tergend lange, slopende uren waren dat. Uit pure wanhoop en frustratie zette ik mijn tanden af en toe wild in mijn kussen.  

Het werd me te machtig

Maar àls ik dan eindelijk gestommel op de trap hoorde, was al dat wachten vergeten. Zeker die eerste keer dat mij een Engels ontbijt werd voorgeschoteld, werd het me allemaal te machtig – niet het ontbijt, maar de bijkomende emoties. Gebakken ei met spek, worst, scones met aardbeienjam, koffie, vers geperst sinaasappelsap – het zat er allemaal bij. Zó mooi. Uit pure emotie wreef ik ongemerkt een opwellende traan uit een ooghoek. Een groter plezier konden ze me nauwelijks doen. 

Kaiserbroodjes met…

Toch zat er in de beginjaren wel een risico aan vast als de kinderen hun gang konden gaan. Het risico op maag- en darmklachten. Ooit kwamen ze met kaiserbroodjes aanzetten. Ook leuk, ware het niet dat mijn zoon er in al zijn onschuld en enthousiasme met blauwe verf moddervette smileys op had geschilderd. Blij keek hij toe hoe ik deze zo zorgvuldig versierde broodjes zou opeten. Ik heb het gedaan, met tanden zo lang als heipalen. Ik kon het niet maken, vond ik, om ze te weigeren. De gehele dag was het zaak heel dicht bij het toilet te blijven.  

Waarom Nederland mijn favoriete vakantieland is

Met de fluisterboot door sloten en meren.
Dobberen door het Waterland.

Een kaarsrecht, geasfalteerd fietspad dwars door de Veluwe. Zonnetje aan de hemel, prettig zomerbriesje. Met mijn twee broers fietste ik voorop, tien meter achter ons volgden onze ouders, naast elkaar. Ik keek achterom om naar ze te zwaaien en keek daarna weer voor me uit. Tien seconden later draaide ik mijn hoofd weer om omdat ik iets naar mijn ouders wilde roepen. Ik zag alleen mijn moeder nog. Mijn vader was in de greppel naast het fietspad gedonderd. Geen idee hoe. 

Het zijn dierbare herinneringen aan de vakanties die ik in mijn jeugd heb beleefd. Memorabel is zeker ons bezoek aan Nationaal Park De Hoge Veluwe. Toen al kon je daar de beroemde Witte Fietsen gebruiken en zo op een plezierige manier het natuurschoon doorkruisen. Maar dan moesten er wel genoeg fietsen zijn. Wij waren met zijn vijven en kwamen op deze – naar later zou blijken historische – dag twee fietsen te kort. De fietstocht waarop we ons met het hele gezin hadden verheugd dreigde niet door te kunnen gaan. 

Dat liet mijn moeder niet gebeuren. 

‘Kom mee,’ zei ze tegen me en terwijl mijn vader en mijn twee broers alvast de laatste drie fietsen uit het rek pakten beende ze met grote passen doelgericht weg, al wist ik nog niet waarheen. Niet-begrijpend volgde ik haar. Moeders wil was wet en ik stelde geen vragen. Ook niet toen ze bij het toiletgebouw ging staan. Wel begon er iets bij me te dagen. 

Een man en vrouw kwamen aanrijden, stapten af, zetten hun fietsen tegen het gebouw en liepen naar binnen om hun behoefte te doen voordat ze aan hun dagje fietsen zouden beginnen. 

‘Nu!’ riep mijn moeder. Ze liep naar de fietsen, duwde er een in mijn handen en pakte zelf de andere. ‘Opstappen en en wegwezen!’ klonk het. Als in een droom volgde ik het commando op. 

We voegden ons bij de rest van het gezin – mijn vader schudde langzaam het hoofd, weet ik nog. ‘Zo,’ zei mijn moeder. ‘Nu gaan we lekker fietsen.’  

Om de aangegeven route te kunnen starten moesten we langs het toiletgebouw. ‘Doorfietsen en niet kijken!’ siste mijn moeder. Maar ik kon het niet laten. Uit mijn ooghoek zag ik het stel staan. De verbijstering stond in hun ogen. Toch waren ze nog lang niet zo verbijsterd als ik. 

De Veluwe.
De Veluwe. Heerlijk om doorheen te fietsen. Als je een fiets hebt.

Meestal brachten we onze zomervakantie door in een gezellig en comfortabel huisje in een bungalowpark. Voetballen en badmintonnen in de tuin, fietsen en zwemmen en elke dag een ijsje. Toen we ouder werden, kwamen de bestemmingen verder te liggen. We streken neer in hotels in Oostenrijk, Italië en Spanje. Erg leuk, zeker de strandvakanties, maar Nederland is mijn favoriete vakantieland gebleven. Ook vanwege de reistijd; ik heb een hekel aan lange autoritten – sowieso aan autorijden – en helemaal aan uitputtende reizen met de bus. Ooit hadden mijn ouders bedacht ons met de bus naar Lloret de Mar te laten vervoeren. Achttien uur heen, achttien uur terug. Gebroken kwam ik op mijn bestemming aan. En met piepende adem, want in die tijd was het doodnormaal om een in warme, benauwde bus massaal te roken.  

Toen ik zelf vader werd zochten we het met onze vakanties ook niet al te ver. Texel, Friesland, Zeeland – heerlijk. Met de auto net te doen. Eenmaal heb ik me met het gezin over de grens gewaagd en reed ik in pakweg acht uur zonder oponthoud naar het gereserveerde huisje in de Belgische Ardennen, tegen de Franse grens. Erg plezierige vakantie. Alle boeken van Nicci French verslonden met een fles wijn binnen handbereik.   

Maar Nederland blijft mijn favoriete vakantieland. 

Texel.
Texel. Altijd leuk.

Gelukkig zit ik daarmee op één lijn met mijn vriendin. Ons eerste lange weekend samen brachten we door in een kasteel in Maastricht, het 1-jarige bestaan van onze relatie vierden we op Texel en afgelopen week vierden we vakantie niet alleen in eigen land, maar zelfs in en vanuit onze woonplaats, het schilderachtige Purmerend.  

Veel gewandeld en gefietst. Hoogtepunt was een vaartocht met een fluisterboot door de sloten en meren rond Monnickendam, Broek in Waterland en Zuiderwoude. Lekker tuffen en dobberen zonder iemand tegen te komen. 

Nee, voor vakantievertier hoef ik het echt niet ver te zoeken. 

Bliksembezoek uit Berlijn

Hamer onder het kussen.
Onder zijn kussen vond ik een hamer.

Het genadeloze coronavirus raakt ook Stichting Europa Kinderhulp. Deze organisatie biedt kinderen uit heel Europa die in moeilijke omstandigheden leven een vakantie van twee weken bij gastouders in Nederland. Maar nu even niet. Ik las het in de krant en moest meteen terugdenken aan ons kortdurende lidmaatschap van deze stichting. Mijn inmiddels ex en ik hadden ons in 2007 uit sociale beweegredenen als vakantieouders aangemeld. Er werd ons een 10-jarig jochie uit Berlijn toegewezen, Patrick. De term bliksembezoek kreeg een geheel nieuwe uitleg. 

Bij het intakegesprek hadden we het volgens mij heel duidelijk aangegeven. We hadden geen voorkeur voor een jongen of meisje, de leeftijd maakte ons niet uit en het land van herkomst evenmin. We hadden slechts één keiharde eis op tafel gelegd: géén druktemaker.  

ADHD in het kwadraat

Óf de dame die ons te woord stond had even niet opgelet, óf de rustige kinderen waren al vergeven, óf er was sprake van een inschattingsfoutje. Geen idee wat het is geweest. Maar de jongen die bij ons kwam te logeren was allerminst rustig; de term ADHD was toen nog niet gangbaar, maar Patrick uit Berlijn had het helemaal in zich – in het kwadraat zelfs. 

Aan mij de eer om onze logé bij een restaurant in Heerhugowaard, waar de bus uit Berlijn zou stoppen, op te halen. De jongens en meisjes die uitstapten voegden zich tussen de vakantieouders die stonden te wachten – voor diverse kinderen werd het een hereniging omdat ze jaarlijks op hetzelfde adres verbleven – en mijn oog viel op een blond jochie dat naast een begeleidster wat ongemakkelijk, maar vooral nieuwsgierig, om zich heen keek. Mijn vermoeden werd bevestigd dat dat Patrick was. 

Steinkohlendeutsch

Het was stil onderweg. Ik had hem in een soort Steinkohlendeutsch wat vragen gesteld. Daar was slechts een minimaal antwoord op gekomen – ‘Ja’, ‘Nein’ of ‘Weiss nicht’ – en ik liet daar maar bij. Het was voor zo’n jongen natuurlijk best spannend, hoe broodnodig hij ook toe was aan een vakantie in een ontspannen omgeving, en hoe vreselijk leuk wij als gezin ook waren.  

Thuis bij vrouw en kinderen moest een en ander zich een beetje voegen. Toch kwam Patrick vrij snel los en vertelde over zijn thuissituatie. Hij woonde met zijn moeder en drie broers in een flat en zij was er overdag nooit omdat ze moest werken. Zijn vader verbleef elders. Patrick had wat wazige foto’s bij zich en die liet hij zien. Een paar gezinsfoto’s – geen vader, of hij heeft de foto gemaakt – en een mistroostig, grijs en grauw blok beton dat als flat diende. Mijn associatie met Oost-Europa in beeld. Het waren geloof ik kleurenfoto’s, maar het had net zo goed zwart-wit kunnen zijn.  

Kleurrijk Berlijn.
Mijn beeld van Berlijn. Dit zou een kleurenfoto kunnen zijn.

‘Wir schaffen das’

Patrick viel ineens helemaal stil en begon te snikken. We lieten hem maar even gaan. Na enig aandringen vertelde hij wat er loos was. Hij miste zijn moeder. We hadden een telefoonnummer van thuis van de organisatie gekregen en het leek ons een goed idee om hem even met Berlijn te laten bellen. Het contact kwam tot stand en ik heb ook nog met Mutti gesproken. Mijn vocabulaire hield op bij ‘Es geht gut mit him’ en ‘Alles kommt gut’ – veel later pas zou bondskanselier Angela Merkel de beroemde woorden ‘Wir schaffen das’ uitspreken; had ik mooi kunnen gebruiken – maar we begrepen elkaar. Daarna was Mutti gerustgesteld en het verdriet van Patrick getemperd. 

Wild enthousiast met de nadruk op wild

Patrick zou zich manifesteren als een wild enthousiast type. Met de nadruk op wild. Vermoedelijk had hij zich jaren moeten inhouden, ingeklemd in een woonruimte die zo groot is als een koekblik, en moest hij nu in één keer al zijn energie kwijt.  

Op het speelplein tegenover ons huis heersten normaliter rust en doodse stilte; kinderen hingen verveeld aan de klimtoestellen en reden met hun fietsje over de rubberen tegels. Met de komst van Patrick, die zich gretig tussen zijn ‘neue Freunde’ mengde, veranderde de sfeer in één klap. Vergelijk het maar met een zonnig terras vóór en na Pinksteren 2020.  

Bezienswaardigheid

Patrick was een bezienswaardigheid en daar kon hij niet zo goed mee omgaan. Het ontaardde in onstuimig en uitsloverig gedrag, dat soms leidde tot een vechtpartij. Regelmatig moest ik op een holletje naar het plein en ingrijpen. Toen ik Patrick daar een keer zag lopen met een stok in zijn handen leek het me wijs het speelterrein voor hem officieel tot verboden gebied te verklaren. Gelukkig stond er bij ons in de zijtuin een trampoline. Hoog opspringend, met zijn blik op de speeltuin gericht, hield hij blèrend contact met de buurtkinderen, maar nu waren aanvaringen bij de wortel afgekapt. 

Monumentale museummolen

Tijdens uitjes ging Patrick helemaal los. Hij bestormde de trappen van de monumentale museummolen in Schermerhorn, sprintte heen en weer over de Volendamse dijk, soms rakelings langs de rokken van dames in klederdracht, en klotste wild door de branding op het Schoorlse strand – poedelnaakt, want zijn zwembroek had hij om onduidelijke redenen uitgetrokken en op het zand achtergelaten. 

In huis was het best gezellig, wat vooral de verdienste was van onze kinderen. Dikke maatjes met Patrick waren ze beslist niet, en de taal vormde een niet te overbruggen hindernis, maar in hun jeugdige wijsheid snapten ze dat we Patrick uit sociaal oogpunt binnen hadden gehaald. Hij werd getolereerd en kreeg de ruimte. Het draaide immers om hem. 

De waterkraam stond open

Niet zelden zorgde hij voor verrassingen. Kwam ik ‘s ochtends beneden, bleek in de keuken de waterkraan open te staan. Geen idee waarom – en hoe lang het water had gestroomd. De hele nacht? Nee toch? Speelgoed van kinderen verdween en op een zeker moment vond ik onder zijn hoofdkussen een hamer. Wonderlijk. 

Na twee weken heb ik hem weer afgeleverd bij de verzamelplaats. Toen de bus optrok en we nog één keer naar elkaar zwaaiden liet ik een kolossale zucht van opluchting ontsnappen. ‘Tschüss, Patrick!’ riep ik nog. Hij had twee heerlijke weken gehad, dat was uit alles gebleken, en als gezin hadden we ons van onze meest sociale kant laten zien. Dezelfde dag nog hebben we ons afgemeld als vakantieouders. 

Crisis zonder kopzorgen

Kale kop
Geen haar, dus ook geen haarproblemen.

Wekenlang hielden de kapsalons hun deur noodgedwongen gesloten. Vervelend voor de eigenaars, vervelend voor de klanten. Voor mij was het geen probleem. Het voordeel van een vrijwel kale kop, die met een tondeuse goed te onderhouden is. Maar ik moet me er niet te gemakkelijk vanaf maken. 

Als tiener was ik gezegend met een weelderige bruine haardos. Na mijn twintigste ook, maar rond mijn dertigste liep het mis. De tand des tijds begon aan mijn schedel te knagen en dat leidde tot inhammen die stukje bij beetje dieper werden. Ik was er niet zo heel erg blij mee. Eigenlijk vond ik het een ramp.  

Meer angst voor de kapper dan voor de tandarts

De ingezette kaalslag kwam vooral aan het licht zodra ik in de kappersstoel plaatsnam en in de spiegel keek. De kapper boezemde me vooraf meer angst in dan de tandarts en ook voor de blindedarmoperatie die ik ooit heb ondergaan was ik aanmerkelijk minder nerveus.  

Op het moment dat het schort werd omgeknoopt trok mijn maag zich samen van de spanning. Mijn hart begon hevig te bonzen zodra de kapster mijn haren nat maakte en het hele zwikkie genadeloos naar achteren kamde. Dan constateerde ik dat de inhammen wéér dieper waren geworden. En dat binnen een paar maanden. Ik vreesde voor de toekomst. En dacht wanhopig: hoe moffel ik die kale plekken weg? 

Historische middag

Ik legde het op een – naar later bleek – historische middag voor aan de kapster van Cosmo, waar ik altijd kwam. Het was een jonge meid, maar ze begreep haarfijn waarmee ik worstelde. Ze keek me in de spiegel vol compassie aan, toverde een meelevende glimlach op haar gezicht en hield voor het effect haar hoofd en beetje schuin. En toen kwam ze met een verrassend, zelfs onthutsend advies. “Doe uw haar gewoon lekker kort. Dat staat veel leuker.” 

Ik besefte dat ze gelijk had

Ik moest het even laten op me laten inwerken. Aan deze optie had ik nog nooit gedacht. De kapster snapte in al haar jeugdige wijsheid dat ze nu even niets moest zeggen of doen. Ik keek mezelf ernstig en bemoedigend aan en liet mijn ogen langs de inhammen dwalen. En ik besefte dat ze gelijk had. Een gevoel van opluchting maakte zich van me meester. Ik keek haar aan, lachte breeduit en zei: “Je hebt helemaal gelijk. Doe maar kort. Wat kan mij het ook schelen.” 

Probleem opgelost

De kapster lachte hartelijk terug en ging als een schapenscheerder aan het werk. Dikke plukken haar die elders op mijn hoofd groeiden – het is in het leven soms oneerlijk verdeeld – dwarrelden op de grond en uiteindelijk hield ik een dun kapsel over. En ik vond het hartstikke leuk. Probleem opgelost. 

Ik liet de kapster achter met een dikke fooi uit dankbaarheid – het liefst had ik haar ook nog hevig gezoend, maar ik hield me in – en liep blij neuriënd en met verende tred de kapsalon uit. Op weg naar mijn auto bekeek ik mijn nieuwe hoofd met gepaste trots in elke etalageruit die ik passeerde. 

Kleine onderhoudsbeurt

Vanaf dat moment ging ik alleen nog naar de kapper voor een kleine onderhoudsbeurt. Maar ook dat hoefde al snel niet meer. Ik trouwde en mijn echtgenote bleek heel bedreven te zijn met de tondeuse. En toen mijn dochter oud genoeg was, nam zij de wekelijkse behandeling over. 

Standje stoppel

Tegenwoordig neem ik mijn haar en baard, want die groeit wel, zelf onder handen. Ik zet mijn tondeuse op standje stoppel en houd voor mijn hoofd- en gezichtsharen dezelfde lengte aan. Wat volgens mijn bescheiden mening heel netjes en mooi staat. Van nature ben ik wel wat gehaast en slordig en dat zie je soms terug op mijn hoofd: dan is er een deel aan mijn aandacht ontsnapt of ben ik er met de tondeuse wat te lichtzinnig overheen gegaan. Niet dat er dan dikke plukken op mijn hoofd overeind blijven staan, want die tijd ligt ver achter me, maar omdat ik een vrij donkere haarkleur heb is het verschil duidelijk te zien.  

Probleem is ook dat ik met de tondeuse in de weer ga voordat ik ga douchen. Ik heb mijn lenzen dan nog niet in en dan zie ik het allemaal niet zo scherp. Maar ook dat heb ik opgelost. Later – okselfris gedoucht en met lenzen in – check ik mijn hoofd nog even en werk ik onverhoopt vergeten stukken bij. 

Heerlijk, als je jezelf kunt redden. Vooral tijdens een crisis van corona-omvang profiteer ik daarvan.    

Tondeuse
Dankzij de tondeuse heb ik geen kapper nodig.

Mijn valkuil: schrijffoutten over het hoofd zien

Toetsenbord
Een oud brilletje. Ik behelp me ermee, want ik moet toch iets.

Bij de timmerman thuis klemmen de deuren, de longarts rookt als een schoorsteen en de mindfulnesstrainer schiet in de stress als het op een zonnige dag ineens begint te regenen. Als ondernemer of specialist moet je natuurlijk wel zelf het goede voorbeeld geven, anders kom je niet zo geloofwaardig over. Zelf heb ik me ooit bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onder de bedrijfsnaam Tekstbureau Prettig Leesbaar. Het leidt al geruime tijd een sluimerend bestaan. Maar mocht ik de draad ooit weer oppikken, dan moet ik er wel voor waken dat ik niet in mijn eeuwige valkuil donder: te snel willen leveren en daardoor schrijffouten over het hoofd zien. 

Ik heb ooit naast een aannemer gewoond. Over de staat van de werkplaats heb ik me altijd wat verbaasd: de regengoot lekte, de verf op de raamkozijnen was afgebladderd en als het stormde waaiden dakpannen en zelfs complete boeidelen mijn tuin in. Niet echt een visitekaartje. 

Geen haar beter

Maar laat ik eerlijk zijn: zelf ben ik geen haar beter. Jaren geleden heb ik Tekstbureau Prettig Leesbaar opgezet om incidenteel wat bij te klussen. Ook schreef ik levensverhalen.  En omdat ik van nature wat gehaast en slordig ben bleven er in mijn teksten regelmatig schrijffouten staan. Pas als ik het geduld kon opbrengen om een tekst uit te printen, een dagje te laten rusten en er daarna een frisse blik op te werpen kwam ik ze tegen en haalde ik ze er als de sodemieter uit. En dan vroeg ik mezelf vertwijfeld af waarom ik die fouten niet meteen had ontdekt. 

Veelvuldig gered

In mijn vorige baan, copywriter bij NCOI Opleidingen, werd ik veelvuldig gered. Alle copywriters laten daar hun teksten door een collega nalezen en dat kwam me niet slecht uit. Zo hoefde ik nooit bang te zijn dat er een mailing van mijn hand de deur uit ging met storende fouten in de tekst. Het voelde voor mij als de rijlessen die ik vroeger heb gevolgd. Ik kon mezelf gemakkelijk een stuur- of schakelfoutje veroorloven. De instructeur greep toch wel in. 

Zelf verantwoordelijk

Nu ik terug ben bij mijn oude vak, journalist/redacteur bij een uitgeverij van lokale kranten, sta ik er helemaal alleen voor. Ik maak op eigen kracht een krant die in Landsmeer en Oostzaan uitkomt en ben zelf verantwoordelijk voor de redactionele inhoud. Dus ook voor eventuele fouten. 

Ik moet zeggen dat het me allemaal goed afgaat. Nu er niemand over mijn schouder meeleest, ben ik meer gefocust, meer geconcentreerd. En vooral rustiger, wat misschien wel met mijn leeftijd te maken heeft. 

Peperdure lenzen

Lastig is het wel dat ik niet al te scherp zie. Ik draag peperdure, speciale lenzen, waarmee ik op honderd meter afstand met gemak een tor op een muur zie lopen. Een boek, de ochtendkrant of een tekst op mijn computerscherm lezen, daar heb ik dan weer een leesbril voor nodig. Maar dan willen de letters weleens voor mijn ogen dansen, dus ideaal is dat ook weer niet. 

Ik heb een ander probleem

Dat probleem heb ik nu niet. Ik heb een ander probleem. Mijn lenzen heb ik twee weken geleden terzijde gelegd, omdat ik last heb van mijn ogen – die dekselse pollen, vermoed ik. Ik behelp me nu met een brilletje dat ik tien jaar geleden droeg en uit voorzorg altijd heb bewaard. Erg veel zie ik daar niet mee, maar het is tenminste iets. Sterker nog: het brilletje zakt standaard naar het puntje van mijn neus, en dan tuur ik over het montuur heen. Ter compensatie zet ik de tekengrootte op het formaat Chocoladeletter en dan is het allemaal wel te doen. En ik lees alles woord voor woord rustig na. 

Cruciale fout

Nee, kapitale blunders verwacht ik niet meer. Ook niet als ik ooit mijn tekstbureau weer nieuw leven zou inblazen. Zeker zal ik niet meer de blunder maken die ik jaren geleden, in mijn vorige werkzame leven bij een krant, heb gemaakt. Een artikel over een kraslotenactie bij een lokale sigarenzaak. Met de ‘K’ op het toetsenbord gevaarlijk dicht bij de ‘L’ lag een cruciale fout op de loer. En zo kondigde ik de kraslotenactie in grote letters aan als krasklotenactie. 

Een comfortabele coronacadans

Steeg.
Stille steeg. Deze keer ook tijdens Koningsdag.

Gezellig babbelend wandelden mijn dochter en ik rond elf uur ‘s avonds door de steeg naar mijn woning. Onze aandacht richtte zich vanzelf op een tienerjongen die tegen de muur schuin tegenover mijn portiekdeur stond te plassen. Geen zweem van gêne. Hij keek alleen wat verstoord op toen hij voetstappen hoorde. “Ja, ga jij even lekker in mijn steeg staan pissen, idioot!” riep ik hem in authentiek Amsterdams toe. Werd-ie nog brutaal ook. “Sodemieter op,” reageerde hij, terwijl hij zijn gulp dichtritste en zich uit de voeten maakte. Het liefst had ik hem bij zijn nekvel gepakt en hem even stevig ‘met zijn neus op de feiten gedrukt’. Had makkelijk gekund. Hij oogde vrij tenger en ik was nogal boos.

Dit gebeurde een paar maanden geleden. Toen mepte het coronavirus nog niet om zich heen, waren de horecazaken nog gewoon in bedrijf en werd mijn steeg door rondhangende jongeren als openbaar toilet gebruikt. Niet dat dat nou doorlopend voorkomt, maar toch. Vervelend is het wel. Zoals ik het ook best vervelend vind dat ik laatst mijn fiets en die van de kinderen aantrof met een lek gestoken achterband.  

Doodstil in mijn woonomgeving

Van dit alles heb ik nu geen enkele last. Zo brengt de coranacrisis, hoe ingrijpend ook, toch positieve effecten met zich mee. Ook de Koningsdag, die normaliter garant staat voor rumoer door jongeren die in de nachtelijke uren dronken door de stad zwalken en uitgerekend in mijn steeg een plaspauze inlassen, is nu gladjes verlopen. Het was doodstil in mijn woonomgeving, het centrum van Purmerend. Want wat heb je als jongere in Purmerend te zoeken als alle kroegen stijf gesloten zijn? Inderdaad, niet zo gek veel. 

Meer dan geslaagde Koningsdag

Het was voor mij zelfs een meer dan geslaagde Koningsdag. Zonnig, briesje en heerlijk rustig. Eigenlijk zoals het al een paar weken is. Ik ga moeiteloos mee in het ritme dat de crisis ons oplegt. Een comfortabele coronacadans. Zo ervaar ik het.  

Voor wie het weten wil: Koningsdag begon voor mij al vroeg.  Rond zes uur schoot ik fit en monter wakker, met veel zin in de dag die voor mij lag. Om halfzeven klapte ik, fris gedoucht, haartjes nat, koffie en bak Griekse yoghurt met muesli naast me, mijn laptop open. Even een paar uurtjes werken voor mijn krant, want dat gaat – gelukkig – altijd door. Twee verhalen geschreven en een paar doorgemailde persberichten bewerkt en toen was ik klaar. De computer kon uit, de deur naar mijn dakterras open. 

Spannende thriller

Ik was net begonnen aan een spannende thriller van Michael Robotham, een van mijn favoriete schrijvers, en heb die vrijwel in één ruk uitgelezen. Ik heb het boek alleen rond zes uur even weggelegd om een kant-en-klare maaltijdsalade in een schaal te kieperen en op te eten. Daarna vatte ik het lezen weer op. Het was bijna acht uur toen ik bladzijde 538 omsloeg – de laatste – en ik het boek tevreden, maar ook met spijt omdat het onverbiddelijk uit was, dichtklapte. Topdag. En toen was de avond nog maar net aangebroken.  

Michael Robotham.
Vrijwel in één ruk uitgelezen. Diepe buiging voor de auteur.

Mijn twee huisgenoten – poes Coos en kat Bliksem – hebben deze dag helaas weinig lol aan mij beleefd.  Ze mogen niet naar buiten, want anders vrees ik dat ze via de goot op het dak springen en ik ze nooit meer terugzie, en dus zaten ze aan de andere kant van het raam op de lage schoenenkast. Met grote ogen, vol onbegrip, staarden ze door het raam naar hun baas, die onafgebroken in één houding op een stoel met een boek in zijn handen zat. Binnen hun gezichtsveld, maar buiten hun bereik. 

Katten.
Zij binnen, ik buiten. Leg dat maar eens aan ze uit.

Eenmaal binnen – zodra de zon rechts achter een kerktoren duikt wordt het ineens erg fris – heb ik het helemaal met ze goedgemaakt. Knuffel- en ravotmomentje ingelast, brokjes en water bijgevuld, en toen waren ze weer tevreden. 

Tja, de coronacrisis houdt ons thuis en ik ben er uitstekend tegen bestand. Ik doe weinig dingen anders dan normaal en heb nergens last van. Maar misschien ben ik wel gewoon enorm saai. Dat kan natuurlijk ook.