Hoe ik ooit de militaire dans ontsprong

Bij de ogentest veinsde ik het zicht van een mol op een donkere, mistige avond

Mijn 17-jarige dochter Joy die met een parachute achter de vijandelijke linies wordt gedropt. Die in camouflagepak, met bruine vegen op haar gezicht en een mitrailleur in de aanslag, achter een struik ligt. Die zich in de opening van een tank laat zakken. Net als alle andere meisjes van haar leeftijd is ze ingeschreven als dienstplichtige, ze heeft daar deze week een brief over ontvangen van het ministerie van Defensie, maar wordt alleen in heel uitzonderlijke situaties opgeroepen. Ik denk zomaar dat ze niet in actie zal hoeven komen. Net als haar vader, die ooit aan de dienstplicht is ontsnapt. 

We hebben er na het lezen van de brief verschrikkelijk om gelachen. Ik kan het niet helpen, maar in dit soort gevallen komen er bij mij allerlei fantasieën op die steeds gekker worden. Dan zie ik die lieve schat met een peloton door een hoge rivier waden, het geweer boven het hoofd, bedacht op een onverhoopte hinderlaag vanaf de oever.

Joy deed gezellig mee. ‘Papa, wist je dat ik met een paar handgranaten onder mijn kussen slaap?’ 

Mijn dochter die als parachutiste achter de vijandelijke linies wordt gedropt.
Ik zie het helemaal voor me…

Nadat mijn hysterische lachbuien wegstierven – volgens mijn kinderen loop ik in een dergelijke stemming gevaarlijk rood aan – moest ik terugdenken aan de tijd dat ik zelf werd uitgenodigd voor de keuring voor de militaire dienst. Het waren de jaren tachtig en in die tijd moest je daadwerkelijk in dienst. Mijn oudere broer was uitgeloot, en dat deed mij het ergste vrezen. Zou ik er wel aan moeten geloven? Nee toch? Ik had er he-le-maal geen zin in. Liever ging ik meteen werken. 

Hoofd in de nek, kin omhoog, borst vooruit

De dag begon met een introductiepraatje in de kazerne. Een bijzonder arrogante officier, stram in de houding, armen op de rug, legeruniform aan, maar wel een idioot paars sjaaltje om zijn hals, sprak zijn gehoor toe. Hoofd in de nek, kin omhoog, borst vooruit. 

Hoe belangrijk en verrijkend het was om in het leger te gaan. Dat wilde hij graag even kwijt. En, o ja, schamperde hij, er waren ook van die types die aangaven in de keuken te willen werken.  

Ik was een van hen.  

De morsetest: ronde na ronde overleefde ik

De keuring verliep goed. Te goed, eigenlijk. Op het programma stond onder meer een morsetest. Voor wie dat niets zegt: morsesignalen werden vroeger in de marine gebruikt om met een elkaar te communiceren. Dat gebeurde veelal via elektronisch verstuurde piepjes – kort of lang en met verschillende tussenpozen – die je volgens een codering moest vertalen in woorden of getallen.  

De morsetest ging me uitstekend af.
Vroeger werd bij de marine via morsesignalen gecommuniceerd.

We werden in groepen verdeeld, kregen een koptelefoon op en moesten de morsesignalen die werden aangereikt interpreteren. Wie een fout maakte, viel af, de rest ging door naar de volgende ronde.  

Tot mijn niet geringe verbazing ging de test mij uitstekend af. Ik nam de piepjes tot mij en wist de juiste vertaling te geven. Ronde na ronde overleefde ik. Totdat er nog maar drie in de race waren. Toen kwam ik tot bezinning. 

Ja, wacht eens even, schoot het door me heen. Straks valt het op dat ik hierin best bedreven ben en kom ik als marconist op een boot terecht. Heb ik de godganse dag dat gepiep in mijn oor.  

Ik maakte direct expres een paar fouten en was af. Gelukkig maar. 

Tijdens de ogentest sloeg ik genadeloos toe

Het inspireerde mij om de boel nog meer te belazeren. Tijdens de ogentest sloeg ik genadeloos toe. 

Ogentest bij de opticien.
De ogentest. Daar wist ik wel raad mee.

Alsof ik bij een opticien zat, moest ik op tien meter afstand letters op een display opnoemen. Ik kon het allemaal best goed zien, maar veinsde het zicht van een mol op een donkere, mistige avond. Voor de vorm kneep ik mijn ogen een beetje toe. 

Het was overtuigend genoeg. 

Het bevrijdende nieuws stond in de tweede brief

Dat bleek toen ik de uitslag kreeg. Twee brieven. In de ene stond dat ik was goedgekeurd. Het bevrijdende nieuws stond in de tweede brief. Ik was buitengewoon dienstplichtig. Alleen in geval van nood zou men een beroep op mij doen. 

Net als mijn dochter heb ik jaren geslapen met een paar handgranaten binnen handbereik. Ze lagen klaar op de vensterbank. Je kon nooit weten. Ook stond er standaard een geweer met bajonet in de hoek van mijn slaapkamer.

Ik heb de wapens nooit hoeven gebruiken. Ik ben nooit opgeroepen, en eigenlijk verwacht ik dat ook niet meer.  

Handgranaten op de vensterbank.
Je kon nooit weten…

Nieuwe kookzin: het mes snijdt aan twee kanten

Koken met verse groenten
Gezond koken. Elke avond.

De bel. Ik spring verheugd op, spoed mij naar de hal en druk op de knop om mijn zeer gewenste bezoek beneden bij het portiek toegang te verlenen. Ik hoor hem de trap beklimmen en wrijf mezelf al in de handen. Pizza calzone deze keer, zo’n dubbelgeslagen massa deeg met daarin een mix van gehakt, tomaat, salami, ham en champignons. Tikkie te machtig, maar ik sla me er vast weer dapper doorheen. Als de bezorger in beeld verschijnt blijkt dat hij niet alleen de vertrouwde witte kartonnen doos bij zich draagt. ‘Alstublieft,’ zegt hij. En hij reikt me een fles chianti aan. ‘Omdat u zo’n goede klant bent.’  

Dit cadeautje viel me jaren geleden ten deel, toen ik eenmaal op mezelf woonde. Een sympathiek gebaar, dat zeker, maar het gaf me wel te denken. Net zo confronterend verliep in dezelfde week mijn bezoek aan het Chinees restaurant bij mij in de straat. Toen de medewerker mij binnen zag lopen, verscheen op zijn gezicht een brede glimlach. ‘Ah, nasi goleng speciaal?’  

‘Eh, ja, nasi goreng speciaal,’ antwoordde ik. 

Ik kookte nauwelijks, maar bestelde liever een pizza.
Ik deed goede zaken met de pizzalijn.

De gebruikte borden en pannen stapelden zich op

In koken had ik in die tijd geen enkele zin. Mij repertoire was ook niet zo breed. Als ik al mijn eten zelf bereidde, kwam ik niet verder dan roerbakken. Scheut olijfolie in een wok, blokjes kipfilet laten sissen, zakje gesneden groente erbij en daarnaast wat rijst koken. En omdat afwassen mij evenmin aantrok stapelden de borden, pannen en het bestek – dat ik allemaal o zo praktisch in de gebruikte wok verzamelde – zich gedurende de week op. 

Nee, gemak dient de mens en ik hou van lekker eten. Daarom deed ik enerzijds goede zaken met pizza- en spareribslijnen – ik maakte een waaier van het stapeltje folders en trok er met mijn ogen dicht eentje uit – en anderzijds met snackbar en afhaalchinees.  

Goede klant bij de afhaalchinees.
Nasi van de afhaalchinees. Lekker makkelijk.

Dan trek je niet een paar blikken tomatensoep open

Het heeft lang geduurd. Totdat ik mijn inmiddels ex ontmoette en we samen gingen koken. Ik kreeg er zowaar lol in. Het werd zelfs een grote liefhebberij. Ik zag het licht op een kerstdag. We hadden mijn familie uitgenodigd om te blijven eten en ja, dan trek je natuurlijk niet een paar blikken tomatensoep open.  

We hadden er echt werk van gemaakt. Op mijn schouders rustte onder meer het maken van kipsaté als voorafje. Ik heb me hier vol aandacht en zeer geconcentreerd op geworpen. De reacties waren lovend. Een passie was geboren. 

Van Aziatisch tot Zuid-Europees

Jaren later mag ik zeggen dat ik, als ik mijn aandacht erbij houd en het allemaal op mijn gemakkie doe, best lekker kan koken. Van Aziatisch tot Zuid-Europees, ik kan een beroep doen op een bont, rijk geschakeerd palet. Heb zelfs eens, samen met mijn dochter, op een kerstavond voor een achtkoppige vriendengroep gekookt. Paella als hoofdgerecht, tapas vooraf en een Spaans getint toetje als afsluiting. Olé! Erg leuk om te doen en het was een groot succes. 

Mijn voorkeur is altijd uitgegaan naar stoofpotten maken. Het liefst een avond van tevoren. Snijplank klaarleggen, batterij messen ernaast, glaasje rode wijn in de buurt. Berg rundvlees op de bodem van de pan, groente en kruiden erbij en dan drie uur laten sudderen. Heerlijk. 

Stoofpotten maken was bij mij favoriet.
Stoofpotten maken, het liefst een avond van tevoren.

Witte bolletjes met rookworst

Toen ik in Hilversum ging werken is het koken een beetje in het slop geraakt. Vaak was ik om halfacht thuis in Purmerend – tenminste, als er niemand voor een trein was gesprongen. En dan moest ik nog boodschappen doen en eten maken. Dat was soms nogal een opgave. Dan koos ik toch maar voor witte bolletjes met rookworst of een pizza uit de supermarkt. 

Dat is nu voorbij. 

Ik heb een werkgever in mijn woonplaats gevonden en werk nu om de bekende redenen zelfs vrijwel volledig thuis en vanuit huis. Tijd genoeg om te koken. Maar vooral ben ik nu bewust bezig met gezond eten. Verse groente, ooit door mij verketterd, vormt de basis. 

Zelf koken met verse groente als basis.
De tijden zijn veranderd.

Ik maak alles zelf en daaraan beleef ik dubbel plezier. Het geeft enerzijds veel voldoening als ik een gezonde maaltijd bereid, anderzijds word ik er behoorlijk zen van. Paprika’s snijd ik met een aardappelmesje traag in kleine reepjes. Blokjes kipfilet gun ik alle tijd om in een badje van sojasaus op smaak te komen. De vlam onder de pan zet ik standaard laag.  

Mindful koken. Dat is wat ik doe. 

Afwegingen tijdens mijn afvalrace

Afwegingen
In balans. Daar draait het om.

Ik leg met gemengde gevoelens twee volkoren crackers op een bord en bedek ze met geitenkaas, schijfjes komkommer en plakjes tomaat. Mijn ontbijt. Reuze gezond natuurlijk, en best lekker, maar… hoe kom ik daarna de uren tot mijn lunch door? Ga ik het traject waarvoor ik heb gekozen om mijn wat ongezonde ik-doe-maar-wat-patroon om te buigen tot een gezonde leefstijl en minimaal 15 kilo af te vallen überhaupt volhouden? Discipline is bij mij doorgaans ver te zoeken, gierende trek des te meer. 

Met dit voor mij alternatieve ontbijt klonk twee weken geleden het officiële startschot van mijn afvalrace. Ik weeg 85 kilo, meet 1,69 meter en als ik onder de douche sta en naar beneden kijk kan ik alleen mijn tenen zien. Zeker vanwege mijn leeftijd – 59 jaar – niet bepaald optimaal. Dat wordt gestaafd met keiharde feiten: een zorgwekkend BMI, mijn darmflora van de rel en een lever waarop ik een onredelijk zwaar beroep doe. Hart- en vaatziekten liggen op de loer als dreigende onweerswolken. Ingrijpen is noodzakelijk. Gelukkig heb ik dat zelf op tijd onderkend. 

Bourgondiër met een moddervette hoofdletter B

Waarom heb ik zoveel met eten? Geen idee. Maar ik ben een Bourgondiër met een moddervette hoofdletter B. Als tiener kroop ik ‘s ochtends na het ontwaken mijn bed uit en liep rechtstreeks naar de keuken. Niet om onbelemmerd te gaan snaaien, maar om een paar kookboeken uit een kast te pakken en mee naar bed te nemen. Al bladerend vergaapte ik me aan foto’s van gebraden kippen, bruingebrande rollades en gemarineerde saté. Ik beeldde me in dat ik daar gretig mijn tanden in zette. Er zullen trouwens ook wel schalen met groente bij hebben gestaan, maar dat kan ik me niet meer herinneren.  

Vervolgens telde ik de minuten tot het avondeten. Want dat was voor mij het hoogtepunt van de dag. En zo is het altijd gebleven. Veel eten vooral, in de stijl van mijn sterrenbeeld: leeuw. Maar ja, leeuwen zijn nooit te dik. Dat is dan weer het verschil.  

Een even bewuste als verstandige keuze

Bijna vijftig jaren en twintig kilo’s later heb ik een even bewuste als verstandige keuze gemaakt. Het roer moet om. Na het kansloos volgen van diverse hypes – uiteenlopend van Montignac en sapkuur tot brooddieet en intermittent fasting – heb ik professionele hulp gezocht. Had ik veel eerder moeten doen. Ik volg een traject dat moet leiden tot een gezonde leefstijl, bewust eten en een gewicht dat bij mij past. Mijn coach gaat voor 65 kilo. Ik ook, al zou ik met 70 kilo ook best tevreden zijn. 

Geen vol gevoel, geen leegte

Terug naar die eerste dag met mijn kleurrijk ingerichte crackers als ontbijt. Het voelde goed. Uitgebalanceerd. Geen vol gevoel, geen leegte. Ik had dat niet verwacht. De lunch – ook niet al te uitbundig – haalde ik tot mijn stomme verbazing met gemak, zonder hongergevoel. En zo is het nog steeds. Een dingetje is wel dat ik elke dag minimaal 2 1/2 liter water naar binnen moet zien te werken om het lichaam te ontgiften. Valt niet altijd mee. Maar met zes doppers verdeeld over de hele dag is het te doen. Ik maak daarbij vele meters: naar het toilet en weer terug. Mijn blaas weet even niet wat hem overkomt.  

Waterkraan
Minimaal 2 1/2 liter water per dag. Dat ga je merken.

Fit en – letterlijk – opgeruimd

De eerste fase – de voorbereiding op het echte werk – is na twee weken voorbij. In etappes heb ik belastende koolhydraten (brood, rijst, pasta een aardappelen) uit mijn menu’s gehaald. Daar zijn gezonde koolhydraten en meer groente voor in de plaats gekomen. Nu al voel ik me heel fit en – letterlijk – opgeruimd. Geen gehang meer op de bank na een overdadige maaltijd, maar gewoon lekker in mijn vel en hup, meteen de afwas doen.  

Pizzaatjes als lunch
Een lunchoptie: ‘pizzaatjes’. Lekker toch?

Wel eens gehoord van adukibonen? Ik evenmin

Maar vooral: de focus niet meer op malse spareribs, maar op gezonde voeding. De bijbehorende map bevat een voedingswijzer en ik kom zaken tegen die voor mij volkomen onbekend zijn. Adukibonen. Wel eens van gehoord? Ik evenmin. Maximaal een keer per week toegestaan. Ga ik proberen. Katoenzaad. Lamsoor. Nee, ho, stop – dat is een soort groente. Zeekraal. Geen idee. En om te bakken gebruik ik vanzelfsprekend biologische kokosolie. Ja, hè hè. 

Ik verdiep me nauwgezet in de werking van het lichaam en in de spijsvertering. Staat in mijn map van alles over in. Eindelijk snap ik nu hoe ik vaak vanuit het niets getroffen kon worden door een urgente, allesoverheersende trek in eten. Ja, kón, want dit overkomt me al niet meer. 

Fase 2: op weg naar de balans

Fase 2 draait om herstellen. Op weg naar de balans. Deze fase duurt totdat ik 2 kilo van mij streefgewicht af ben. Geen idee hoelang dit gaat duren. Maakt niet uit, het gaat goed zo. Ik heb geen haast. Deze fase luistert nauw. Ik moet alles wat ik aan eten ga bereiden wegen. Dus straks maar even een keukenweegschaal kopen. 

Weegschaal.
De tweede fase luistert nauw.

Een weegschaal voor mezelf heb ik al. De verleiding is groot om er al op te gaan staan. Vanochtend even mijn winterjas aangetrokken. Die zat iets minder strak dan vorig jaar. Een indicatie. Maar ik wacht nog even. Over minimaal een week ga ik mezelf wegen. Ben benieuwd.  

Weegschaal
Ben benieuwd.

Stoptober: tabak van tabak

Sigarettenrook.
Sigarettenrook. Nooit dol op geweest.

Met de ene hand knijp ik mijn neus dicht, met de andere pak ik mijn T-shirt bij de boord tussen duim en wijsvinger vast en laat het in de wasmand vallen. Het is aan het eind van mijn werkdag geheel doorrookt. Elke keer weer. Zo was het tenminste lang geleden, toen ik in een vrij kleine redactiekamer werkte waar stevig werd gepaft. Niet door mij, overigens. Geen pretje, want los van de stank kamp ik met een lichte vorm van astma. Maar gelukkig werd roken in de ban gedaan en dat duurt voort. Steeds minder vaak sta ik ongevraagd in de rook. Een ontwikkeling die ik van harte toejuich. Ik ben dan ook zeer blij met de campagne Stoptober, die ook dit jaar plaatsvindt.  

Tja, roken. De lol en zin ervan heb ik nooit kunnen doorgronden. Op school werd er natuurlijk al mee geëxperimenteerd. En uit nieuwsgierigheid heb ik weleens een paar trekjes genomen. De rook brandde in mijn longen en ik werd overvallen door een onstuimige hoestbui. En dan die stank. Gatverdamme, wat smerig. Ik heb me er daarna nooit meer aan gewaagd. Dan maar niet stoer. Hoewel, ik vond het eigenlijk heel stoer om juist niet mee te doen. 

Elke ochtend een walm van sigarettenrook

Er viel in de tijd – veertig jaar geleden – natuurlijk niet aan te ontkomen. Dat begon ‘s ochtends al zodra ik uit mijn bed stapte en de huiskamer in liep. In een walm van sigarettenrook zat mijn vader op de bank. Hij startte elke dag op met een peuk.  

Was dat voor mij nog te doen, dramatisch waren de verjaardagen. Ik zie ze nog staan, naast de schalen met blokjes kaas, plakjes leverworst en gevulde eieren: de kokers met sigaretten – met en zonder filter – en de asbakken. Alle ooms en tantes in een kring en algauw begon het te stomen. Onvermijdelijk sloegen mijn ogen dicht en moest ik mijn toevlucht zoeken tot een nat washandje, dat ik tegen mijn oogleden drukte.  

Smeulende asbak
Een smeulende asbak. Lekker fris.

Ik greep per ongeluk in een stel borsten

Discotheekbezoeken – verschrikkelijk. Van de frisse buitenlucht rechtstreeks zo’n bedompte, donkere ruimte binnen. De glazen van mijn bril, die mij overigens kansloos maakte bij elk contact met leuke en desnoods oerlelijke meisjes, besloegen en met de handen voor mij uit liep ik het eerste halfuur gedesoriënteerd rond. Eén keer greep ik per ongeluk in een stel borsten. Ik moest tot op de bodem gaan om aan de vriend van het onthutste meisje uit te leggen dat hier geen opzet in het spel was. 

Op het werk werd dus ook gerookt. Maar op een zeker moment mocht het niet meer. Voor mij een feestelijke dag. Geen gerook meer in mijn nabijheid.   

Rookverbod
Op een voor mij feestelijke dag werd een algeheel rookverbod ingesteld.

Eens in de week reed ik naar het hoofdkantoor om de opmaak van een krant te begeleiden. Daar werd een rookruimte in het leven geroepen. Collega’s die niet zonder sigaret konden verzamelden zich daar een paar keer per dag voor een rookpauze. Soms ontkwam ik er niet aan. Dan moest ik even een collega raadplegen die zich daar ophield. Zodra ik de deur opende moest ik me door een verstikkende rookmassa wringen. Nadat ik de collega in kwestie had gesproken vluchtte ik de deur uit. 

Wat een waanzin. 

Drie types stonden doodleuk te roken

Bij mijn vorige werkgever, NCOI Opleidingen in Hilversum, werd al nergens meer gerookt, en in de andere bedrijven in de directe omgeving evenmin. Als alternatief waren voor de deur rookhokjes neergezet. Nooit zal ik vergeten hoe ik tijdens mijn dagelijkse lunchwandeling met een paar van mijn collega’s langs zo’n hokje liep. Het was moordend heet, de zon scheen echt ongenadig fel, en het hokje, zo groot als een bushalte, was van glas. En toch stonden daar drie types doodleuk te roken. Hoe krijg je het voor elkaar! Hoofdschuddend, vol onbegrip, heb ik mijn weg vervolgd. 

Nu wordt de samenleving steeds meer rookvrij. En de campagne Stoptober, die op diverse plekken officieel is gestart, helpt daar aan mee.    

Ik zit te denken: misschien word ik ooit opa. En misschien vraagt een kleinkind dan: ‘Opa, vroeger waren er toch mensen die rookten? Waarom?’ 

En dan zal ik in alle eerlijkheid antwoorden: ‘Geen flauw idee, lieverd. Ik heb dat nooit begrepen.’ 

De weelde van het wandelen

Mijn wandelschoenen
Mijn wandelschoenen hebben al veel kilometers versleten.

De takjes kraken onder mijn schoenzolen, bladeren ritselen fluisterzacht in de wind, vogels tjilpen en kwetteren. Het zijn de enige geluiden die ik waarneem nu ik door het Purmerbos loop. De rust en stilte, de groene tinten om mij heen, de geur van bloemen, vermolmde boombasten en natte aarde – wandelen ervaar ik als een weelde. Omdat mijn zintuigen worden verwend, omdat ik het prettig vind om in beweging te zijn, omdat mijn hoofd dan zo lekker leegstroomt. Ik kan het iedereen aanraden. 

Steeds meer mensen ontdekken de geneugten van het wandelen, juist in deze bizarre tijden. Ik kan niet anders constateren dan dat ik de troepen ver vooruit was. Ruim twintig jaar geleden ben ik aan het wandelen verslingerd geraakt. Het begon spontaan met een loopje van 8 kilometer door de achtertuin van Amsterdam, door en langs sluimerende dorpjes als Zunderdorp en Holysloot. Het beviel mij meer dan uitstekend. Een passie was geboren. 

Stevig doorstappen, lekker loom slenteren

De wandelingen werden steeds langer, zo rond de 16 kilometer, oftewel minimaal vier uur achter elkaar lopen. Stevig doorstappen, maar ook lekker loom slenteren. Veel gezien, want Nederland is een prachtig land en ik ben in alle uithoeken geweest.  

Bospaadje in het Purmerbos.
Aanlokkelijke bospaadjes, bij mij veruit favoriet.

Ik heb veel favoriete locaties. Op nummer één: de Amsterdamse Waterleidingduinen, nabij Zandvoort. Een stuk duingebied, waar auto’s, brommers en honden niet zijn toegestaan. Op sommige delen leven reebokken. Die kijken hooguit wat verstoord op als ze je ontwaren. Het is zelfs het enige gebied waar ik ooit een vos heb gezien. Twee zelfs. De een joeg de ander op. 

Amsterdamse Waterleidingduinen
Reebokken kom je tegen in de Amsterdamse Waterleidingduinen.

Diverse avonturen

Vaak liepen mijn trektochten letterlijk uit, want wandelen gaat bij mij nogal eens samen met verdwalen. Dat heeft tot diverse avonturen geleid. 

Bij voorkeur laat ik me leiden door gekleurde paaltjes. Dat vind ik gewoon het leukste. Maar niet zelden is het gebeurd dat ik in een verlaten bos op een kruispunt of driesprong uitkwam en ik het paaltje miste. Of ik keek eroverheen – wat zeer tot de mogelijkheden behoorde, want ik ben zo kippig als een blinde in een darkroom – of het paaltje was gewoon om een onduidelijke reden verdwenen. 

Standaard de verkeerde kant op

Teruglopen was voor mij geen optie; ik kijk nooit om en ga nooit terug, dat is een van mijn levensprincipes. Dus zocht ik op goed geluk mijn weg, en dan liep ik standaard de verkeerde kant op, om pas veel later dan gepland bij mijn auto terug te keren. Dat ik die terugvond was trouwens sowieso een wonder. 

Men zegt weleens dat je rondjes loopt als je in een onbekend natuurgebied verdwaalt. Dat klopt. Ooit ben ik van een saai, geasfalteerd pad afgeweken en een bospad ingeslagen. Op een paaltje bij het toegangshek was een sinaasappel gespietst. Vertrouwend op een oriëntatievermogen dat ik geheel mis probeerde ik de juiste richting te vinden. Na vijf kwartier kwam ik uit op een saai, geasfalteerd pad. Ik besloot een bospad in te slaan. Op een paaltje bij het hek was een sinaasappel gespietst.  

Ik heb toen toch maar dat geasfalteerde pad afgelopen. 

Het is allemaal goedgekomen

Ronduit spannend was de route die ik ooit in de herfst rond de Posbank op de Veluwezoom heb gevolgd. Paaltjes met een zwarte kop. Aan het begin van de avond – half Nederland zat al aan tafel – had ik nog een flink stuk te gaan. Maar de duisternis daalde neer, de route liep door een toch al donker bos en die paaltjes waren steeds moeilijker te ontdekken. Het is allemaal goedgekomen, maar met wijsheid had dat helemaal niets te maken. 

Veluwezoom
Op de Veluwezoom ging het bijna mis.

Tot mijn enkels in het water

Het kan zelfs nog spannender. Ooit vierde ik met mijn inmiddels ex en kinderen vakantie op Terschelling. Terwijl moeders met de kinderen ging winkelen, trok ik met onze hond een natuurgebied in voor een pittige wandeling. Het was een drassig stuk en het werd steeds drassiger. Ook hier peinsde ik er niet over om terug te gaan. Ik liep door, maar de paden verdwenen. Het werd nog drassiger en af en toe zakte ik tot mijn enkels in het water. Geen idee hoe ik weer op het droge moest komen.

Billy de hond keek me af en toe verbaasd aan, alsof hij door had dat dit niet helemaal de bedoeling was en dat zijn baasje het niet helemaal meer wist. En het was uitgerekend Billy die me heeft gered. Hij zette zijn speurneus op, ging voor me uitlopen, sloeg dan weer links- en dan weer rechtsaf en verdomd, we naderden redelijk snel de rand van het gebied en liepen zo de bewoonde wereld weer in. 

Ja, je maakt wat mee als je met mij gaat wandelen. 

Grijze zaterdag in november

Mijn vriendin kan dat volmondig beamen. Ook zij is wandelliefhebber en samen hebben we al tientallen kilometers afgelegd. De eerste keer liepen we op een grijze zaterdag in november door Het Twiske, een recreatiegebied nabij Purmerend . Het werd donker en ik raakte de weg kwijt. Het spoor volkomen bijster. Spannend, maar niet alleen dat. Er is toen tussen ons, omgeven door duisternis, mistflarden en geritsel, iets heel moois ontstaan, dat nog altijd voortduurt. 

Of ik toen echt de weg niet meer wist is nog altijd een goed bewaard geheim.  

Schatkist met geheim
Een goed bewaard geheim…

Hoe ik 15 kilo verantwoord ga afvallen

Een buik met de omvang van een watermeloen.
Ja, wat wil je anders?

Als ik buk om mijn schoenveters te strikken heeft dat zo zijn gevolgen. De temperatuur in mijn hoofd loopt op. Het begint te bonken en er dwarrelt stoom uit mijn oren. Voor mijn ogen dansen zwarte vlekken. Ik krijg het benauwd. Maar ja, wat wil je met een pens zo groot als een watermeloen die in deze houding alle luchttoevoer afsnijdt? Ik weet al jaren niet beter, maar ga er – na diverse kansloze diëten – nu serieus werk van maken. Want met mijn BMI, in combinatie met mijn 59 jaren, schuur ik tegen de gevarenzone aan. Hart- en vaatziekten liggen op de loer. Ik start daarom binnenkort met een traject om verantwoord, onder professionele begeleiding 15 kilo kwijt te raken.  

Van nature had ik beslist een atletisch lichaam. Maar rond mijn 25ste ging het mis. Er begon een buikje te groeien. Het buikje werd een buik en die is nooit meer weggegaan. Oorzaak? Tja. Onder meer wijt ik het aan een enorme eetlust die zich vertaalt in meerdere keren een bord volscheppen en niet altijd even gezond eten. 

De serveerster begon wat stuurs te kijken

Voorbeeldje: ik was ooit redacteur van een horecakrant en schoof eens aan bij een restaurant, dat het ‘onbeperkt spareribs eten’ wilde promoten. Daar werkte ik dolgraag aan mee. Ik zou daar een verhaal over schrijven, en ja, zoiets is natuurlijk alleen mogelijk met de juiste input. De serveerster liep af en aan. Eerst zag ze de lol er nog van in, later begon ze wat stuurs te kijken. De kok stak op een zeker moment zijn hoofd om de hoek; zijn bezorgde, bijna angstige blik zie ik zo weer voor me. Ik ben toen maar gestopt. Maar eigenlijk had ik nog best trek. 

Onbeperkt spareribs eten.
Onbeperkt spareribs eten. Dat leek me wel wat.

Er waren momenten dat ik mijn overgewicht zat was. Meestal als de zomervakantie naderde. Dan stortte ik me op een dieet dat toen gangbaar was. Het brooddieet bijvoorbeeld. Om de dag alleen maar volkorenbrood eten en op de andere dagen eten wat ik maar wilde.  

Na 2 maanden 4 kilo afgevallen  

Het was goed te doen, mijn moeder werkte uitstekend mee en na twee maanden was ik vier kilo afgevallen. Hoezee! Maar het brood kwam me op een dag echt mijn neus uit. Ik beende naar het winkelcentrum, stapte de bistro binnen waar ik regelmatig met mijn beste vriend een biertje dronk en daarbij standaard een portie saté bestelde en liet die nu ook aanrukken. Wat een genot. Totdat de barman mij wees op iemand die buiten voor het raam naar me stond te kijken. Mijn moeder. Met het dieet ben ik toen maar gestopt. En ik kwam weer aan.

Brooddieet.
Het brooddieet. Best lang volgehouden.

Montignac. Dat was mijn volgende dieet. Een wat duistere methode, in die zin dat je best veel lekkers mocht eten. Veel pure chocola ook. Dat sprak mij bijzonder aan. Maar het werkte – volgens verwachting – niet.  

Sapkuur – een martelgang van een week

Datzelfde gold voor de sapkuur die ik daarna probeerde. Een martelgang van een week. Als ontbijt slechts een shake en in de loop van de dag, bij eventuele trek, een notenreep als tussendoortje. Die propte ik meestal een kwartier na het ontbijt al naar binnen. Verder tomatensap en – hoe erg, als ik eraan terugdenk – zuurkoolsap. Niet weg te krijgen. Had ik eindelijk, eindelijk een glas kokhalzend op, was het alweer tijd voor het volgende glas. 

Weerzinwekkend.  

Geen slecht idee

Lang tijd heb ik me niet meer aan een dieet gewaagd. Geen enkele animo. Totdat mijn overgewicht me weer danig begon tegen te staan. Nu maar eens geen dieet, maar een gezonder voedingspatroon. Geen slecht idee. Ik ging Googlen wat ik zou kunnen doen. Wat verwarrend allemaal. Wonderlijk hoe allerlei ‘deskundigen’ elkaar tegenspreken.

Smoothies, die zijn gezond, zegt de een; nee, geen smoothies, zegt de ander, want de mens is gemaakt om te kauwen.  

Ontbijt overslaan, zegt de een.

Nee, juist wel ontbijten, zegt de ander.

Fruitontbijt.

Nee, gebakken eieren met spek.  

Geen koolhydraten.

Ja, wel koolhydraten, maar alleen de gezonde. 

Calorieën verbranden.

Nee, het gaat niet om calorieën. 

Om gèk van te worden.  

De longen uit mijn lijf getrapt

Fitness dan maar. Eerst een paar weken de longen uit mijn lijf getrapt tijdens spinningsessies. Heeft niets geholpen. Na mijn verhuizing een jaar aan gewichten gesjord in een sportschool. Haalde niets uit. Ja, ik kon ineens zwaarder tillen, maar daar ging het mij niet om. Laat maar zitten, dacht ik. 

Aan gewichten sjorren in de sportschool.
Mijn armspieren werden sterker. Maar daar ging het mij niet om.

Maar zoals het nu gaat, gaat het niet goed. Dat besefte ik onlangs toen het zo heet was. Puffen, steunen en kreunen. En dan die overhemden waar de knopen vanaf springen, T-shirts waarvan de onderkant speels omhoog kruipt naar mijn navel.  

Gatverdamme. 

Een doordachte beslissing

En dus ga ik er nu serieus werk van maken. Geen opwelling deze keer, maar een doordachte beslissing. Verantwoord afvallen, terug naar dat atletische lichaam, lichter leven. Omdat ik dat mezelf gun, iets wat ik nooit eerder heb gehad. Zit daar misschien de sleutel? 

Ik ben gestuit op een betrouwbare, medisch onderlegde organisatie. Daar heb ik een prima intakegesprek gehad. Aan de hand van een lange vragenlijst, afgetapte urine, speekseltest en afgenomen bloed wordt nu een plan samengesteld, geheel afgestemd op mijn persoon.  Kijk, daar kan ik wat mee.

Over twee weken begin ik. En op mijn zestigste verjaardag – juli volgend jaar – ben ik 15 kilo lichter. Dat vier ik dan met een bak radijs.

Radijs als beloning.
Een bak radijs! Mijn beloning als ik 15 kilo ben afgevallen.

   

Een dag om bij stil te staan

Bliksem, een van mijn huisgenoten.
Vragende blik van Bliksem.

Het was gisteren een reguliere zaterdag. En toch was hij, los van de extreme hitte die nogal verlammend werkte, anders dan anders. We merkten het aan poes Coos en kat Bliksem. Ze keken ze ons de gehele dag vragend aan, alsof ze iets verwachtten. De blikken werden steeds intenser, Bliksem legde zelfs even een pootje op mijn knie, en af en toe klonk er een klaaglijk miauwtje. Konden ze maar praten, dan zouden we het snappen. Pas later, te laat eigenlijk, begreep ik het omdat ik het toevallig op de social media voorbij zag komen. Het was Internationale Kattendag. Sorry, wist ik niet. 

Ik troost me met de gedachte dat Coos en Bliksem het bij ons reuze naar hun zin hebben en dat ze niets te kort komen. Tenminste, daar heeft het alle schijn van. Ze zijn vooral blij als de kinderen bij mij zijn; dan is het plaatje compleet. Ze nestelen zich in een hoekje en rollen zich dik tevreden op en soms komen ze een knuffel halen. Als we gaan pitten, kruipen ze gezellig bij Dave in bed. Af en toe lassen ze een speeluurtje in, want het zijn toch nachtdieren, en dan stuiven ze door de lange gang van mijn appartement. Overdag gaan ze lekker lummelen en komen ze als ze daar zin in hebben bij ons op de bank liggen – want zelf zijn we ook niet bovenmatig actief.  

Het moesten twee binnenkatten zijn

Coos en Bliksem wonen nu een klein jaartje bij mij. Ik heb ze mijn twee kinderen cadeau gedaan omdat ze hun schooljaar met succes hadden afgesloten. Het was wel even zoeken. Ik wilde per se twee katten, omdat één kat zich thuis misschien tot geeuwens zou vervelen als ik naar mijn werk en de kinderen naar school zouden gaan. En dan moesten het ook nog eens binnenkatten zijn. Ik woon in het centrum van Purmerend en als ik ze op het dakterras zou laten rondhuppelen zou ik ze op een zekere dag hoogstwaarschijnlijk kwijt zijn. Ze kunnen gemakkelijk het dak op en zie ze dan maar eens terug te krijgen.  

Het is allemaal goed gekomen. In Boxtel vonden we het perfecte stel: een onafscheidelijk koppel, niet eens broer en zus, dat gewend is aan een leven binnenshuis. Het was even wennen voor ze, maar binnen twee weken hadden ze hun schroom overwonnen, vertrouwden ze ons en begon hun onbekommerde leven in Purmerend. En nog steeds ogen ze dolgelukkig.  

Kat in een krat.
Bliksem vindt regelmatig een nieuw plekje.
Coos
Coos is permanent tevreden.

Maar hoe leg ik ze het principe van een hordeur uit? 

Er wachtte een aangename verrassing

Toen ik onlangs van een korte vakantie met mijn kinderen thuiskwam, wachtte mij een aangename verrassing. Mijn allerliefste vriendin had mijn dakterras bij wijze van verjaardagscadeau opgeleukt met een gezellig kleedje, fraaie kunstbloemen – ze weet inmiddels dat planten water geven er bij mij standaard bij inschiet – ludieke decoraties in de vorm van lege bierflesjes met een (kunst)tulp erin en lampjes. Maar ook had ze de laatste hand gelegd aan de hordeur. We waren er al eens aan begonnen, maar het puntje op de i ontbrak nog. 

Dakterras opgeleukt.
Een verjaardagscadeau van mijn vriendin.

Juist nu het zo godvergeten heet is profiteer ik van die hordeur. Maar Coos en Bliksem snappen er he-le-maal niets van. Ze zien me buiten zitten, horen me praten, maar toch kunnen ze niet bij me komen. Gelukkig proberen ze het ook niet; ze blijven netjes achter het gaas. Maar raar blijft het. 

Zelfs afgelopen zaterdag was het ze niet gegund om gezellig bij hun baasje te komen zitten. En het was nog wel hún dag.   

file:///C:/Users/Gebruiker/OneDrive/Documenten/Momentje%20voor%20Marcel/Filmpje.html

Pijnlijke comeback op de tennisbaan

Comeback op de tennisbaan.
Dertig jaar niet meer getennist. Het was even wennen.

De tennisbal stuitert links naast me. Als ik een snelle draai maak en schuin naar achteren stap móet ik hem met een backhand terug kunnen slaan. Tenminste, dertig jaar geleden lukte me dat bij deze balsport nog weleens. Nu niet. Ik raak uit balans en kom ten val. Het ziet er volgens mij verre van elegant uit – ik denk dat mijn kinderen blij zijn dat er niemand in de buurt is. Mijn linker onderarm schuurt over het gravel en mijn schouder en achterhoofd volgen. Dit soort tennistoeren moet ik op mijn 59ste gewoon niet meer willen uithalen, concludeer ik terwijl ik de pijn weg lach. Een wijze les voordat ik met mijn dochter Joy straks wekelijks ga tennissen. 

Een maandje geleden vroeg ze me of ik met haar wil tennissen. Geen van haar vriendinnen deelt de liefde voor deze sport, en daarmee kwam ik in beeld. Ik zei volmondig ja. Heerlijke sport, lekker in de buitenlucht en een beetje bewegen kan in mijn geval bepaald geen kwaad. En dan ook nog eens met mijn dochter! Ik heb ons aangemeld bij de kleine, gezellige tennisvereniging LTC Beem-Star in Middenbeemster en binnenkort gaan we beginnen. Veel zin in.  

Kans op succesvolle treffer groot

Lang geleden tenniste ik al. Niet vaak en zeker niet fanatiek, maar gewoon af en toe voor de lol. Ik beheers deze tak van sport redelijk. Als ik niet te snel naar de bal ga, maar hem rustig laat stuiteren, mijn arm voldoende naar achteren breng, geconcentreerd sla en mijn arm doorzwaai, is de kans op een succesvolle treffer best groot. 

Ik tenniste vooral tijdens vakanties. Met ouders en broers streken we neer op bungalowparken en dan gingen de rackets mee. Want een beetje bungalowpark heeft een tennisbaan. We huurden die een paar keer en dan scheerden de ballen twee uur lang over het net. Nou ja, óver het net… ze belandden ook vaak ín het net en ze vielen er ook weleens met een pisboogje net achter.

Maakte niet uit. We hadden er lol in. 

Prima reflexen

De basistechnieken had ik toen dus aardig onder de knie. Daarnaast bleek ik over prima reflexen te beschikken. Vooral kort bij het net wist ik ballen met allerlei kunstgrepen te retourneren.  

Mijn geheime wapen – dat nooit lang geheim bleef – was een verrassende, wonderlijke backhand. Dat zette ik in als een bal links achter mij ver in het achterveld verdween. Dan zette ik een sprintje in en sloeg de bal op de een of andere manier achterwaarts terug. Dat voelde heel raar en onnatuurlijk. Alsof mijn rechter schouderblad een decimeter naar links schoof. Geen idee hoe ik het deed, maar een feit is dat een bijna onmogelijk te halen bal twee seconden later over het net vloog en binnen de lijnen van het veld van mijn onthutste tegenstander stuiterde, die dacht dat het punt al binnen was. 

Gravelveld omgetoverd in tennisbaan

Getennist heb ik ook bij de toenmalige roemruchte voetbalclub Rood Wit-A in Amsterdam-Noord, waarvan ik lid was. Onder de leden zaten veel tennisliefhebbers en een aantal van hen heeft een tenniscommissie opgericht. Het gravelveld waarop normaal gesproken werd getraind werd in de zomermaanden omgetoverd in een tennisbaan. Daar heb ik regelmatig gebruik van gemaakt. Ik was op de vrijdagmiddag vrij – een aardigheidje van mijn eerste werkgever, Buma/Stemra – en mijn tennismaatje Bert Heijselaar ook. En dus troffen we elkaar elke vrijdagmiddag in alle rust op het voetbalcomplex. Hij was een maatje te groot voor me, maar hij hield zich netjes in en daardoor bleef het leuk.  

Maar dat was toen. 

Een geschikt moment

Dertig jaar later – om precies te zijn: op zondag 26 juli jongstleden om 13.00 uur op het vakantiepark ‘t Hooge Holt in Gramsbergen – heb ik racket en bal weer opgepakt. Ik was zojuist 59 geworden en van mijn kinderen mocht ik deze dag invullen zoals ik dat graag zou willen. We zouden sowieso een keer gaan tennissen en dit leek me een geschikt moment. 

Na de valpartij – we waren al twee minuten aan het tennissen – kwam ik tot de even reële als pijnlijke constatering dat mijn wendbaarheid, die al niet zo gek veel voorstelde, in de loop der jaren ernstig is afgenomen. Eigenlijk is er niets meer van over. Maar de techniek zit er nog best in.  

Zoeken naar verdwaalde ballen

Diverse ballen zeilden hoog over het net – en zelfs over de omheining. Kostbare minuten gingen verloren aan het zoeken naar verdwaalde ballen, al kwam de onbedoelde rustpauze me ook wel weer goed uit, want godsamme wat scheen die zon ongenadig. Niet zelden moest ik tot aan mijn elleboog graven in struiken vol doornen en scherpe takken. Mijn onderarm en benen kwamen onder bloederige schrammen te zitten. Samen met de blauwe plekken en schaafwonden die ik al eerder had opgelopen leverde dat een levendig kleurenspel op. 

Maar ik heb heerlijk getennist. En ik kijk uit naar de partijen met mijn dochter bij Beem-Star, waar gelukkig weer vrijuit kan worden getennist

Er wacht wel een nieuw probleem. De ongeschreven regel is dat leden bardiensten draaien óf onkruid gaan wieden. Ik heb voor het laatste gekozen. Bestellingen aan een bar verwerk ik net zo snel als een ace die langs mijn oren suist. Dan kuis ik liever de paden langs de tennisbanen met hark en schoffel. Dat resulteert onherroepelijk in jeukende en pijnlijke blaren door de brandnetels. Maar goed, die trekken wel weer weg. 

Brandnetels.
Brandnetels. Een vervaarlijke tegenstander op de tennisbaan.

Graven naar het verleden

Na een archeologisch onderzoek zijn muurtjes van het Slot Purmersteyn op exact dezelfde plek opnieuw gemetseld.

De regen stroomt langs de schuine tuimelramen in mijn woonkamer. Grijze wolken vertellen mij dat het voorlopig niet droog wordt. Windvlagen fladderen om het dak. Niet ideaal, op deze vakantiedag. Maar wel een mooi excuus om binnen, achter mijn laptop met een glas dampende muntthee naast me en de lyrische klanken van Claude Debussy op de achtergrond, schrijfmeters te maken. Een nieuw hoofdstuk aan mijn historische roman toevoegen, maar ook onderzoek doen. Ik blijf graven en stuit nog steeds op nieuwe informatie. Daar zitten regelmatig prachtige parels tussen. 

Was jij vroeger ook zo dol op huiswerk? Nou, ik evenmin. Opdrachten raffelde ik af en leerstof keek ik vluchtig en globaal door. Veel te lui om te leren. Gelukkig was ik zeer bedreven in sjoemelen. 

Handzame spiekbrief

Mijn schoolspullen vervoerde ik in een plastic tas, zoals die bij de winkels werden uitgedeeld, en dan het liefst een witte of gele, in ieder geval een lichte kleur. De tas met inhoud legde ik tijdens een proefwerk naast me op de lessenaar, en dan zo dat de woordenlijst die ik in mijn hoofd had moeten stampen, een handzame spiekbrief of een schoolboek, opengeslagen op de meest relevante pagina, bovenop lag. Zodra ik het plastic van de tas een beetje strak trok, kon ik er vrij gemakkelijk doorheen kijken.  

Tijdens de lessen economie zat ik naast een vensterbank waarop dozen met schoolmateriaal stonden. Het kon niet mooier. Een dag voordat er een proefwerk of toets op het programma stond, krabbelde ik op zijkant van een van de dozen alvast de begrippen met definitie die zouden worden gevraagd, zoals inflatie en deflatie, aandelen en obligaties. Ook dit werkte uitstekend. 

Zo scoorde ik altijd wel een zesje of zeven, en daar was ik dik tevreden mee.  

Gesnapt ben ik nooit. Juist omdat ik open en bloot mijn zelf aangelegde bronnen raadpleegde viel het niet op; dat was anders geweest als ik stiekem bij mijn buurman zou afkijken of steels een spiekbriefje uit mijn zak zou toveren. Dat was nou net waarop scherp werd gelet. 

Het leukste om te doen

Maar hoe anders was het als er een werkstuk moest worden gemaakt. Terwijl de meeste klasgenoten uit afgrijzen begonnen te zuchten, veerde ik enthousiast op. Dit was voor mij het leukste om te doen. 

Internet bestond nog niet, maar bibliotheken wel. Stapels boeken sleepte ik naar huis om allerlei informatie op te zoeken – over exotische planten voor het vak biologie, de handel in Japan voor aardrijkskunde en Karel de Grote voor geschiedenis. Het resulteerde in lijvige, onderhoudende en prettig leesbare werkstukken, compleet met foto’s die ik uit de boeken had gekopieerd – en nee, ik had ze er niet uit geknipt of gescheurd! 

Ik kreeg er hoge cijfers voor. Een enkele docent vroeg zich wel hardop af of ik het allemaal wel zelf had gedaan. Dat zag ik dan maar als een compliment. 

De oude typemachine van mijn vader

Ook los van school maakte ik werkstukken. Gewoon voor mezelf. Dan ploos ik alles uit over mijn favoriete buitenlandse voetbalclub (Dynamo Kiev) of popgroep (Roxy Music). Zodra ik voldoende informatie had sloeg ik aan het tikken. Ik mocht de oude typemachine van mijn vader gebruiken en een klein tafeltje diende als bureau. Typen had ik mezelf aangeleerd; gewoon een kwestie van veel doen. 

De Domtoren in Utrecht speelt in mijn boek een prominente rol.

Met hetzelfde plezier als in mijn jeugd werk ik nu aan mijn historische roman. Het verhaal speelt in het begin van de achttiende eeuw en draait om de laatste telg van een vooraanstaande regentenfamilie uit Hoorn. Een sieraad voor de familie was hij bepaald niet; hij heeft de goede naam nogal te grabbel gegooid. Jammer voor de familie, maar zeer bruikbaar en interessant voor een boek. De grote lijn bestaat uit feiten die ik heb opgediept – tot mijn grote verrassing is er over hem heel veel bewaard en gedocumenteerd. 

Domtoren speelt prominente rol

De hoofdpersoon heeft bovendien – direct of indirect – raakvlakken met bronnen waarvoor ik echt niet diep hoef te graven: de regententijd in Hoorn, de Zeeuwse kust, de Domtoren in Utrecht, de Gevangenpoort in Den Haag en Slot Purmersteyn in Purmerend. Ogenschijnlijk hebben ze niets met elkaar te maken, maar vergis je niet. De hoofdpersoon van mijn roman is de verbindende factor. Heerlijk om dit allemaal uit te vogelen en er een boeiend verhaal van te maken.  

De teller staat nu op 16.115 woorden. Morgen regen? Nou, dan graaf en tik ik gewoon weer verder. 

Graven naar het verleden. Machtig interessant en leuk om te doen.

Een boek, dat is andere koek

Boekenwinkel
Mijn ambitie is dat mijn historische roman over een jaar in de winkel ligt.

Een golf van wanhoop spoelde door zijn lichaam. Maar hij vermande zich. Hij was immers een Sonck. De kerker was een hok van nog geen vier bij vier meter. Er kwam wat licht door het getraliede raam, hoog in de muur tegenover de deur. Links stond zijn bed. Een houten ledikant met daarop een dun, verschoten matras. Er lagen een slordig opgevouwen, vergeeld laken op en een donkerbruine deken. In de hoek stond een houten tafeltje met twee stoelen. Twéé stoelen? Voor wie was die tweede stoel? Voor bezoekers? Een smalend lachje ontsnapte aan zijn lippen. Nee, bezoek verwachtte hij niet. 

Een willekeurig stukje uit de eerste versie van de historische roman die ik aan het schrijven ben. Taaie klus, maar o zo heerlijk om te doen. Het is mijn grote ambitie en wens om dit boek rond mijn zestigste verjaardag – op 26 juli 2021 – uit te brengen. Mag iets eerder, mag ook iets later. Dat het allemaal precies volgens een planning moet gebeuren, dat is een valkuil waar ik vroeger al diverse malen in ben gedonderd. Tegenwoordig loop ik er behoedzaam omheen. 

Een nauwelijks te bedwingen schrijfdrang

Ik word mijn leven lang prettig geplaagd door een nauwelijks te bedwingen schrijfdrang. Herken je dat? Dat kriebelende bloed? Dat opgetogen gevoel in de onderbuik, het gevoel dat daar iets opwelt dat eruit moet? Het overkomt mij als ik voor mijn krant iemand heb geïnterviewd. Eerst aanbellen met een leeg notitieblok in mijn tas, na een uurtje de deur uit met volgeschreven vellen, vellen met citaten, aantekeningen en steekwoorden (aan gesprekken opnemen doe ik niet) en onderweg naar huis of kantoor het verhaal in mijn hoofd alvast componeren. Maar soms begin ik vanuit mijn gevoel gewoon te tikken en dan ontvouwt zich, zin voor zin, het verhaal automatisch. Nog leuker vind ik dat. 

Zo schrijf ik mijn blogs ook. Het begint met een ideetje, een schopje in mijn maagstreek – zou dat bij een zwangere vrouw ook zo voelen? Dan laat ik alles vallen waarmee ik bezig ben en log in in mijn WordPress-account. En dan ontstaat er een verhaal. Foto’s erbij zoeken, linkjes plaatsen, aansprekende kop bedenken, nog even de tik- en schrijffouten eruit halen en daarna publiceren en doorzetten naar Facebook en LinkedIn. 

En nu dus een boek. En dat is andere koek.  

Een staart met een krul erin

Ik heb al eerder boeken geschreven, voornamelijk levensverhalen, maar dat zijn eigenlijk uitgebreide uitwerkingen van interviews, het werk dat ik al doe en beheers. De basis vormt de informatie die mij tijdens de serie vraaggesprekken is aangereikt. En dan is het aan mij om alle aantekeningen om te zetten in een boeiend boek met een kop en een staart – het liefst met een krul erin. Ik heb al een aantal levensverhalen op mijn naam staan. 

Levensverhalen
Ik heb een aantal levensverhalen op mijn naam staan.

Maar een boek schrijven, waarvoor ik een uitgever wil interesseren en dat uiteindelijk in de winkel moeten komen te liggen… daar komt iets meer bij kijken.  

Roman gebaseerd op feiten

Mijn roman speelt in het begin van de achttiende eeuw en is gebaseerd op feiten. Die zijn op zichzelf al interessant genoeg. Ik heb een rijke schat aan informatie opgediept. De hoofdpersoon, die echt heeft bestaan, heeft zo zijn sporen achtergelaten en tot mijn grote verrassing is er veel bewaard gebleven. Met dank aan Google en twee historische verenigingen die ik heb geraadpleegd. 

Maar daarmee heb ik nog geen boek, dat van begin tot eind boeit. Het is geen kwestie van alle informatie chronologisch achter elkaar zetten. Ik moet er bovendien nog heel veel bij verzinnen. 

Het project loopt uitstekend, maar wel langzaam. Dat geeft niet; ik heb geen haast. Ik ben al eens eerder, twee keer zelfs, aan een boek begonnen en dat moest toen allemaal snel-snel. Geen plan, geen structuur, gewoon tikken-tikken-tikken. Totdat ik strandde en alles ophield. 

Mijn 3 inspiratiebronnen

Ik bouw het nu rustig op. Gisteren hoofdstuk 7 getikt en tot nu toe ben ik best tevreden. Maar af en toe stokt het. En dan moet ik me even laven aan mijn inspiratiebronnen, want dat heb ik af en toe nodig om weer op gang te komen.  

Ik heb er 3. 

Mijn grootste inspiratiebron is Stephen King. Een oeuvre waar je helemaal duizelig van wordt. Spannende boeken, vaak een decimeter dik, geschreven in een prettige verteltrant en met een enorme fantasie. Met als hoogtepunten The Shawshank Redemption en The Green Mile – boeken die ik keer op keer herlees en die beroemde films hebben opgeleverd. Bijna elk boek van hem is verfilmd en misschien liggen er nu filmmakers met elkaar te rollebollen omdat ze allemaal met het vorig jaar verschenen boek – Het Instituut – aan de slag willen. Stephen King heeft ook een boek over het schrijverschap uitgebracht. Gouden tips staat daarin, die ik regelmatig nalees. 

Het Instituut
Weer een boek van Stephen King.

Inspirerend is voor mij ook de site van Dennis Rijnvis. Een rijkdom aan stimulerende blogs, tips en aanbevelingen, met verwijzingen naar aansprekende voorbeelden – onder meer uit het oeuvre van Stephen King. Zelf heeft Dennis ook een succesvol boek geschreven, dus hij roept niet zomaar wat. 

Soepel geschreven pageturner

Mijn derde inspiratiebron is Lisa van Campenhout. Talentvolle oud-collega, die onlangs debuteerde met Bijna Echt, een verfrissende, originele en soepel geschreven pageturner voor young adults (maar eigenlijk voor elk lezerspubliek).

Bijna Echt
Bijna Echt, het debuut van mijn ex-collega Lisa van Campenhout.

Toen we nog collega’s waren wandelen we vaak in onze lunchpauze over de Hilversumse heide. En dan praatten we over het schrijven van boeken, een gedeelde droom. Eerst schrijven, later inkleuren, gaf Lisa ooit als tip. En ook zij weet waar ze over praat. Het bewijs ligt in diverse boekenwinkels.

De tip van Lisa heb ik altijd onthouden. Het was voor mij zelfs een eye-opener, want bij mij moest het aanvankelijk allemaal in één keer perfect en compleet zijn, en daarmee liep ik geheid vast. Ik schrijf nu meer ontspannen, met meer plezier, in het besef dat het niet in één keer goed hoeft te zijn. Aanpassen en herschrijven kan altijd. 

Met mijn roman zit ik nu op ongeveer 9.300 woorden. Het begin is er. De omslag ook, want mijn ex heeft daar op mijn verzoek een prachtige tekening voor aangeleverd. Nog pakweg 70.000 woorden te gaan – op naar mijn zestigste verjaardag. Geloof me, het wordt een mooi boek. 

Nog een jaartje geduld.