Kranten bezorgen is niet zonder risico

Brievenbus
De meeste brievenbussen zijn goed te doen.

Mijn hand duw ik verder en dat had ik beter niet kunnen doen. De rug haal ik voelbaar open. Als ik mijn hand terugtrek en de schade bekijk, gebeurt er eerst nog niks. Maar dan tekenen zich de eerste bloeddruppels af. Er ontstaat een beekje dat naar mijn knokkels stroomt. Dit loopt uit de hand. Letterlijk. Zó kan ik geen kranten bezorgen. Straks raken ze allemaal onder het bloed, en de brievenbussen ook.  

Ik bel aan en een oudere, vriendelijk ogende dame doet open. ‘Goedenavond, mevrouw’, zeg ik. Ik toon mijn geblesseerde hand. ‘Uw trouwe krantenbezorger heeft zojuist een gruwelijk bedrijfsongeval gehad. Heeft u voor mij een pleister? Anders verspreid ik overal mijn bloed. Dat kan natuurlijk niet.’ 

Ik tref het. Ze toont compassie, vraagt om een ogenblik geduld en schommelt richting keuken. Ze komt terug met een pleister, die ze vakkundig, met het puntje van haar tong tussen de tanden, over de wond legt. Ik kan weer verder.  

Daar ben je vader voor

Mijn zoon is een krantenwijk begonnen, en daar help ik hem af en toe bij. Daar ben je vader voor. Maar ik vind het ook leuk, zo tegen het avondeten een uurtje rondhobbelen in de buitenlucht. Bovendien zijn het kranten waarvoor ik zelf als journalist werk. Dan loop je toch een stukje harder. Zeker als er een verhaal van mij in staat. Want wie schrijft, wil gelezen worden.

Het moest zich in het begin wel even voegen. We gingen op de fiets en stouwden onze fietstassen vol kranten en folders. Goed het stuur vasthouden, want we waren zo zwaar beladen dat beide fietsen dreigden te steigeren als twee geschrokken paarden. 

Lang niet naar het fietspad omgekeken

Maar het ging. Mijn zoon fietste schommelend voor me uit en ik volgde in zijn spoor. Daar had ik al mijn aandacht bij nodig. Ik fiets bijna nooit en het minste oneffenheidje is genoeg om uit balans te raken. Dat gevaar sloop er nu zeker in. Niet alleen vanwege het gewicht dat ik meetorste, maar ook vanwege de conditie van het smalle fietspad. Het is lang geleden aangelegd en er is kennelijk ook al heel lang niet meer naar omgekeken. Tegels zijn afgebroken of helemaal verdwenen. Je moet er wat voor over hebben. 

De straten en huisnummers van ‘onze’ wijk had ik uitgeprint. Het is bekend gebied, maar we wilden het heel secuur doen en geen adressen per ongeluk overslaan. Het zijn huis-aan-huiskranten, waarvoor geen abonnement geldt, maar de meeste mensen rekenen er toch op, zijn eraan gehecht. Bovendien: vergeten we een adres, dan kan het zomaar gebeuren dat ik de gedupeerde bewoner de volgende dag zelf met een bezorgklacht aan de lijn krijg. 

Dankbaar werk

De wijk is makkelijk te behappen. Compact, veel rijtjeshuizen en nergens hoeven we over hekken te klimmen of naar brievenbussen te zoeken. Het is ook dankbaar werk. Een enkele ‘Nee-Nee’-sticker daargelaten – daar weten ze werkelijk niet wat ze missen – zitten veel mensen echt te wachten op de krant die hen én het lokale nieuws én een momentje van ontspanning biedt. Niet zelden zie ik bewoners in hun huiskamer opspringen zodra ik in beeld verschijn. Waar ze ook mee bezig zijn, ze laten het direct uit hun handen vallen  en haasten zich zonder omwegen naar de voordeur om de krant van de mat te rapen.  

Een enkeling staat al in de gang. Dan voel ik hoe de krant uit mijn hand wordt gegrist. Dat gebeurde laatst zó wild dat mijn arm bijna tot aan mijn schouder door de brievenbus werd getrokken. Excuses aan de andere kant van de deur maakten alles goed. Maar het blijft uitkijken. 

Zeker als er binnen honden rondlopen.  

Ik kom er twee op mijn route tegen. De ene blaft alleen. Dat is geen probleem. Maar die andere… Zodra ik via het grindpad door de voortuin knisper barst er in de huiskamer een enorm kabaal los dat zich onheilspellend verplaatst naar de gang, vlak achter de deur. Dan is uiterste voorzichtigheid geboden. Zo zacht en behoedzaam mogelijk til ik met de topjes van wijsvinger en duim de klep van de brievenbus omhoog. De hond wordt dan hélemaal gek en springt tegen de binnenkant van de deur. Ik kijk nog even of ik misschien toch een ‘Nee-Nee’-sticker over het hoofd heb gezien, maar dat is nog steeds niet het geval.  

Een hoekje van de krant naar binnen duwen is genoeg. Meer heeft de hond niet nodig. De krant verdwijnt dan in één keer uit mijn hand en floept door de brievenbus. Wat er dan binnen verder gebeurt, weet ik niet. Ik hoop maar dat de hond de krant netjes op de salontafel legt. 

Soms vangt een hond de krant op.

Brievenbussen zo smal als een zakkammetje

Aan sommige brievenbussen kleeft een uitdaging en, als ik niet uitkijk, mijn bloed. Ze zijn zo smal als een zakkammetje, of ik moet het doen met een minuscuul spleetje dat eigenlijk alleen ruimte biedt aan de voorpagina, of er hangt een stevig gordijn achter, waarschijnlijk tegen de tocht. Dan is het een kwestie van flink wurmen, worstelen en wringen en er tegelijkertijd voor waken dat de krant niet in stukken op de mat komt te liggen. Een hond kan ik dan niet de schuld geven, want die woont daar nou net niet. 

Elke brievenbus kan een verrassing bevatten.

Opspelende winderigheid

Het laatste adres is een verzorgingshuis. Een stuk of zestig brievenbussen naast en onder elkaar in de entree. Dit schiet altijd lekker op. Soms schuift de glazen voordeur open en schuifelt een oudere bewoner net binnen. Die wil zijn of haar krant dan meteen mee naar de woning nemen. Er volgt een persoonlijke overhandiging en we doen er ook nog een gezellig praatje bij. Geheel belangeloos. Of we bieden geduldig een luisterend oor aan mensen die een verhaal kwijt willen over zaken als niet aflatende regenbuien, coronaperikelen en opspelende winderigheid. 

Wij zijn de meest mensvriendelijke krantenbezorgers die je je maar kunt wensen. 

Na een uurtje zijn we weer klaar. En dan geven we elkaar een ‘Beuk de Box’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *