Motoren kwellen mijn oren

Mag het ietsje minder?

Het is een zwoele avond, geen zin om te koken na een drukke werkdag, en met mijn twee kinderen zit ik op een terras in mijn woonplaats Purmerend. Gretig neem ik de eerste slok van mijn witbiertje, vers getapt in een glas zo groot als een vuilnisemmer. En dan schrik ik en verslik me. Want schuin achter me, zeer in mijn nabijheid, weerklinkt het gebrul van twee startende motoren. Geen bescheiden gezoem zoals ik dat ken van mijn stofzuiger, ook niet het volume van een grasmaaier die wordt aangezet, nee, een bak herrie met orkaankracht. Ik kijk vol irritatie om en zie twee in leder gehulde, gehelmde types op een motor zitten. Al te veel haast maken ze niet. En zodra ze eindelijk met veel kabaal wegrijden, denk ik: stel aso’s. Hier moet toch iets aan te doen zijn? De volgende dag word ik op mijn wenken bediend. 

Ik sla de ochtendkrant open en veer op zodra ik op de kop van het artikel stuit: ‘Motorrijder wordt paria van de weg: verzet groeit’. En de subkop: ‘Actiegroepen tegen geluidsoverlast bundelen landelijk hun krachten’. Yes! Het moment kan niet beter worden gekozen. 

Enorme feestvreugde

Begrijp me goed: ik gun iedereen zijn hobby en gewoontes. Als ik er maar geen last van heb. Al eerder ontstak ik in een enorme feestvreugde, tegen het emotionele aan, toen het roken aan banden werd gelegd. Achteraf is het voor mij bijna onvoorstelbaar dat ik ooit een werkruimte met de omvang van een bushokje heb gedeeld met vier collega’s, van wie er twee rookten. De gehele kamer stond bij het krieken van de dag al blauw en zo bleef het. Eenmaal thuis gooide ik mijn doorrookte T-shirt met een vies gezicht in de wasmand. Geef me één reden waarom je zou moeten roken, vroeg ik me daarbij vertwijfeld af.  

Dit was toen allemaal doodnormaal. Maar roken is in de ban en ik ben ervan verlost. Wel lekker hoor, als je aan een lichte vorm van astma lijdt. 

Uit, die sigaretten. Zo heb ik het altijd graag gezien.

Nu erger ik me vaak kapot aan de herrie die motorrijders veroorzaken. Vanwege de hoge temperaturen houd ik me vaak op mijn dakterras op en ook hier wordt de rust vaak verstoord. Oké, ik woon in het centrum van Purmerend en dan verwacht ik niet dat hier permanent een weldadige stilte heerst met hooguit een krijsende meeuw die overvliegt, maar om nou op nog geen honderd meter afstand een motor aan te zetten en te laten loeien, dat lijkt me niet echt nodig. 

Daarin word ik ondersteund door een motorrijder die ik ooit heb gesproken. Hij zei dat het heel goed mogelijk, en vooral fatsoenlijk, is om zonder geluid met je motor aan de hand naar de autoweg te lopen, daar op te stappen en dan pas het contactslot om te draaien.  

Kennelijk kan het dus wel. 

In het krantenartikel staat dat slechts een klein deel van de motorrijders er genoegen in schept om zo hard mogelijk met een hoog toerental en bijbehorende herrie over dijken en bochtige wegen te scheuren. Zal best, en ook hiermee kan ik leven, maar nabij een terras? Is dat echt nodig? 

Misschien komt het allemaal goed. De Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen is in de maak en daar kunnen de negen (!) actiegroepen die inmiddels zijn opgericht zich bij aansluiten. Samen één machtige vuist tegen motorlawaai. Actiegroepen willen nog wel eens met succes een discussie aanzwengelen, dus er is hoop. Op mijn steun kan ik de overkoepelende organisatie alvast rekenen. Dat zal haar goed doen. 

Avontuur in Lloret de Mar

Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik sowieso weinig met motoren en brommers heb. Als tiener koos ik liever voor de fiets of de bus. Toch heb ik me er één keer aan gewaagd. Het was op zijn minst een slecht idee.  

Het is ruim dertig jaar geleden gebeurd tijdens een vakantie met drie makkers in Lloret de Mar. In die tijd was ik nog wat onbezonnen. En dus stemde ik ermee in off the road motoren te huren en daarmee door de bergen te rijden. Ik had nog nooit op een brommer of motor gezeten, zelfs niet achterop, laat staan op zo’n crossgeval. Het was vragen, nee: sméken om problemen. En die kreeg ik dan ook. 

Hotseknotsend over kleine en grote keien

Voor mij duurde de rit tien minuten. In het begin, op de rechte stukken, ging het nog wel. In het bergachtige binnenland liep het mis. Ik reed achter een van mijn makkers een redelijk steile heuvel op en bijna bij de top hield hij in. Ik was er niet op bedacht. Om niet tegen hem op te botsen, draaide ik in een reflex mijn stuur naar links en gaf onbedoeld een dot gas. Ik stormde via de zijkant van de heuvel naar beneden en hotseknotste over kleine en grote keien. En toen kwam ik ten val. De scherpe stenen gaven niet mee en ik liep bloederige wonden op op hoofd, arm en been – uiteraard droeg ik geen helm, maar wel een T-shirt en korte broek. Lekker zomers. 

De snee in mijn onderarm was twintig centimeter lang en in het midden bijna een halve centimeter breed. Het bloed gutste eruit en ik meende zelfs nog een deel van een pees te zien. Op zichzelf best interessant.  

Met behulp van mijn makkers kwam ik in het plaatselijke ziekenhuis terecht. De dienstdoende chirurg zat aan de koffie en leidde me hoofdschuddend naar een operatiekamer. Ik was niet de eerste roekeloze vakantieganger die moest worden gehecht en hoogstwaarschijnlijk ook niet de laatste. Echt een vakman vond ik het niet. De snee heeft hij niet mooi gehecht en is nog steeds duidelijk te zien. Er gingen geruchten dat hij een omgeschoolde machinebankwerker was. Ik heb er maar geen werk van gemaakt.  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *