Niks zo leuk als… niksen

Tja, noodgedwongen thuis blijven vanwege dat dekselse coronavirus. Als beroeps- en hobbymatig schrijver kom ik de dagen goed door. Tussendoor en in het weekend haal ik boodschappen, draai ik wasjes en ga ik met de stofzuiger door het huis.  En ik kijk meer dan normaal naar de televisie. Maar vaak doe ik ook… nou, ja… niks. Ik moet zeggen: daarin ben ik heel bedreven. En het bevalt me uitstekend, ik heb er lol in. Soms denk ik zelfs: er is niks zo leuk als niksen. 

Niksen. Ik ben er erg goed in.

Niksen is niet voor iedereen weggelegd. Dat zie en hoor ik om mij heen. Toen ik afgelopen maandag – de enige dag dat ik niet thuis werk – naar mijn kantoor in mijn woonplaats Purmerend reed, stond ik zomaar in een file. File? Ik snapte er niets van. Dat gebeurt mij nooit. Maar het daagde al snel. Ik reed op de weg die in een bocht langs de milieustraat voert. Tientallen auto’s stonden in een rij om afval te lozen. Om kwart over acht in de ochtend! Ik kon alleen maar aansluiten en afwachten. Gelukkig hoefde ik niet langs een bouwmarkt. Daar schijnt nu ook topdrukte te heersen. 

Ik pak een krant of boek

Nee, zelf ga ik deze dagen niet ineens opruimen en klussen. Zodra ik klaar ben met mijn werk of een blog heb geschreven, pak ik een krant of boek. En ik kijk televisie. Doe ik normaal gesproken niet zo vaak, maar nu wel.  

Op dit moment volg ik de gehele James Bond-cyclus – van Sean Connery tot Daniel Craig. Deze films heb ik al een stuk of 37 keer gezien, maar ze blijven leuk. En ik kijk op de zondag naar de films rond Jason Bourne. Die heb ik nog niet eerder gezien. En wat een vaart, wat een actie. En nu maar hopen dat Die Hard deel 1 tot en met deel weet ik veel ook weer voorbijkomen. 

Voetbalmarathon van 7 uur 

Er worden nu ook historische voetbalkrakers uitgezonden. Héérlijk. Afgelopen zondag heb ik met mijn zoon enorm genoten van een heuse voetbalmarathon. Niet minder dan 7 uur lang hebben we naar allerlei wedstrijden gekeken: eerst een terugblik van ruim 2 uur op het EK 1988, inclusief de rondvaart door de Amsterdamse grachten langs zwaar beladen woonboten. Daarna Nederland-Spanje – je weet wel, de dolfijnenduik van Van Persie. En tot slot, na een korte pauze om bij de snackbar om de hoek een eenvoudige, maar voedzame maaltijd te kunnen halen, Nederland-Brazilië, die geweldige ommekeer van een 0-1 achterstand naar een 2-1 winst. Heel Brazilië in tranen, heel Nederland in jubelstemming.  

Toch weer heel spannend allemaal, ook al was de afloop bekend. 

Lekker met mijn zoon naar voetballen kijken.

Maar er zijn dus ook momenten dat ik niks doe. Ik wist van mezelf al dat mij dat moeiteloos afgaat.  

Ik was er al goed in toen ik nog in Hilversum werkte en dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein zat. In het begin nam ik nog wel eens een boek mee, maar van lezen is het amper gekomen. Liever keek ik gewoon maar een beetje naar buiten of voor me uit. Of ik sloeg aan het mijmeren. De reistijd brak me na verloop van tijd op, en toen nam ik de auto, maar toch vond ik het wel wat hebben, die lege uren. 

Dagelijks tweemaal anderhalf uur in de trein. Het had zeker zijn plezierige kanten.

Hoe dat gaat, niks doen? Nou, gewoon, je gaat zitten en doet… niks. Meer is het niet. 

Nu moet ik wel zeggen dat ik een voordeel heb: anders dan heel veel mensen heb ik niet het idee dat ik doorlopend iets zou moeten doen, dat rusteloze, dat niet stil kunnen zitten. Ik ben van nature vrij passief. Dat maakt niets doen wel een stuk makkelijker. 

Bovendien ervaar ik het als heel ontspannend, dat niets doen. En het grappige is: het is ook heel inspirerend. Af en toe wellen zomaar, letterlijk vanuit het niks, ideeën en gedachten op. Onderwerpen voor blogs. Verrassende inzichten.

Soms ook dingen die ik zou kunnen doen. Of niet.

De mogelijkheden die videobellen biedt

De jazzy ringtoon van mijn mobiel klinkt op. Ik pak het toestel van de tafel om te kijken wie mij belt. Ha, mijn vriendin! Ik veeg wat met mijn duim over het scherm – ik ben niet zo handig – en ineens… verschijnt tot mijn grote verrassing haar gezicht in beeld, compleet met die brede, hartverwarmende lach. Rechtsonder, in een kleiner scherm, zie ik mijn eigen, verbaasde hoofd. “We zijn aan het videobellen,” verduidelijkt ze – soms heb ik wat uitleg nodig. “Even kijken hoe dat werkt.” 

Videobellen met WhatsApp. Ideaal,

Nou, dat werkt uitstekend.  

Het was afgelopen week mijn videobeldebuut en zo houden we sinds die tijd contact met elkaar. We nemen het coronavirus immers serieus en bewaren tot nader orde meer dan de vereiste anderhalve meter afstand. Mijn astma speelt immers op, zoals altijd rond maart als warme en koude temperaturen elkaar afwisselen, en mijn vriendin loopt een beetje te snotteren. En nu kunnen we elkaar niet alleen horen, maar ook zien.  

Ik moet er natuurlijk wel op letten dat mijn hoofd is geschoren, want nu ik amper buiten kom schiet dat er soms bij in, maar daar houd ik rekening mee. 

Ik loop een paar lichtjaren achter op nieuwe ontwikkelingen en het videobellen had ik nog niet eerder ontdekt. Ergens wist ik wel dat het mogelijk was, maar ik ben niet zo dat ik dat dan meteen ga uitzoeken en uitproberen.  

Maar wat leuk is dit!  

Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken

Bellen met beeld erbij, zo ga ik het voortaan doen. In mijn privéleven, maar ook in mijn werk als journalist. Ik ga vaak op pad om mensen te interviewen. Dat komt er nu vanwege de coronacrisis minder van, dus ik ben meer aangewezen op de telefoon. Telefonisch interviewen vind ik echter niet ideaal. Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken en hun gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal kunnen meenemen. Dat helpt mij allemaal om een goed verhaal te schrijven. Met videobellen is dat probleem opgelost. 

Nu moet je daar geloof ik wel WhatsApp voor hebben. Maar er zijn vast meer manieren om via de telefoon face-to-face te kunnen praten.  

Geweldige aanbieding

Wat mij bijvoorbeeld leuk lijkt: videobellen met mensen die namens energiebedrijven, leveranciers van kunststof kozijnen en kranten contact met me opnemen omdat ze mij zo graag die geweldige aanbieding willen presenteren. Want het praat een stuk makkelijker als je elkaar in de ogen kunt kijken. Ja toch?  

Energiebedrijven zijn dol op me

Zeker energiebedrijven zijn dol op me. Ik heb een sluimerend tekstbureau en sta bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als ondernemer. Reden genoeg voor diverse energiebedrijven om me als potentiële klant op de bellijst te zetten. Maar ik heb geen bedrijfspand – ik werk op een laptop aan de tafel in mijn huiskamer – en blief dat lucratieve contract niet.  

Dat vertel ik ze dan ook. Soms meer dan één keer. Kennelijk wordt mijn naam na een vruchteloos telefoontje niet doorgestreept en blijft die als prospect op de lijst staan. Ik word dan na twee dagen door hetzelfde bedrijf doodleuk opnieuw gebeld om dezelfde reden en dan moet ik opnieuw nee verkopen.  

Zo’n telefoongesprek duurt overigens nooit lang. Soms zelfs héél kort. Dat gaat als volgt: 

Beller: ‘Bent u de eigenaar van Tekstbureau Prettig Leesbaar?’ 

Ik: ‘Ja.’ 

Beller: ‘Komt het gelegen dat ik u even bel?’ 

Ik: ‘Nee.’ 

Dan wordt het stil en is het gesprek eigenlijk al afgelopen. Maar met beeld erbij hebben we elkaar dan toch even gezien. 

Huisarrest – hoe kom je de dagen door?

Tja, we moeten als het even kan thuisblijven. Zo houden we het coronavirus zoveel mogelijk in toom. Ik houd me daar netjes aan, ook nu op deze zondag de blauwe hemel, dwars door mijn dakramen, naar mij lonkt. Vanmiddag alleen even naar de supermarkt, zigzaggend langs eventuele passanten, om avondeten te halen. Best een dingetje hoor, de hele dag thuis. Toch maar eens kijken hoe mijn twee huisgenoten met het huisarrest omgaan. Daar heb ik nu alle tijd en ruimte voor. 

 

Mijn twee huisgenoten moeten sowieso binnen blijven.

Coos en Bliksem heten ze, de poes en kat die ik in september vorig jaar voor mijn kinderen heb gekocht. Het waren nog kittens toen ze zich bibberend in hun reismandje lieten stoppen, maar nu zijn ze een stuk groter. En ze voelden zich hier in Purmerend al snel thuis.  

Het zijn twee huiskatten en dat moet zo blijven. Zet ik onverhoopt de deur naar mijn dakterras op een kier en glippen ze er doorheen, dan is het maar de vraag of ik ze ooit nog terugzie. De weg naar het dak is zo gevonden en dan kunnen ze alle kanten op. 

Bang dat ik ze kwijt was

Op dag 2 was ik al bang dat ik ze kwijt was. We waren op een middag met ze thuisgekomen, hadden de reismandjes in de hal gezet met het deurtje uitnodigend open en we zouden het lekker aan onze nieuwe huisgenoten overlaten om over de drempel te stappen. Niets forceren. Er gebeurde niet veel. Coos had haar eigen mandje verlaten en was snel bij Bliksem in het mandje gekropen. Dat was de enige verandering die we hebben waargenomen.  

Ze bleven zitten waar ze zaten en ook toen we gingen slapen hebben we ze met rust gelaten. De volgende ochtend sloop ik op mijn sokken naar de mandjes. Even kijken hoe het met ze was.  

De mandjes waren leeg.  

Hoe vertel ik het de kinderen?

Ik stond op het verkeerde been. Ik zag ze nergens en evenmin hoorde ik gescharrel of geschuifel. Terwijl mijn appartement klein en overzichtelijk is. Ver konden ze niet zijn. 

En toen schrok ik me kapot. De dakraampjes in mijn huiskamer! Ze stonden een decimeter open! Ik zet ze elke nacht op die stand om frisse lucht binnen te laten en uit macht der gewoonte had ik dat weer gedaan. Ze zouden toch niet…  Nee, toch… Of… 

Mijn hart bonkte in mijn keel. Ze waren weg, ik was ervan overtuigd. Door de dakramen geglipt en terug naar huis. Even moest ik steun zoeken bij een muur. En daarbij dacht ik: hoe vertel ik het de kinderen? 

Drie keer heb ik wanhopig het hele huis doorzocht. Er was nog een kans dat ik ze over het hoofd had gezien. Zoeken is immers niet mijn sterkste kant; ik kan minutenlang voor de open koelkast staan voordat ik de fles ketchup vind die ik zoek. En die staat dan op ooghoogte voor mijn neus. Mannenkwaal. 

Pas toen mijn dochter wakker werd en zich bij me voegde, kwam het goed. Ze haalde de plint onder de keukenkastjes weg en ja hoor, we gingen op onze knieën zitten en keken recht in twee bange kattensnuitjes. Ze lagen daar veilig en waren niet van plan om hun schuilplek te verlaten. 

Maar dat was toen. 

Coos en Bliksem voelden zich al snel thuis.

Het is nu maart en Coos en Bliksem lopen hier onbekommerd rond. Ze vinden het wel best zo. Af en toe kijken ze vanaf het Franse balkon de winkelstraat in, maar ze vertonen geen enkele drang of neiging om naar buiten te gaan. De coronacrisis raakt hen dan ook niet. Ze kunnen gewoon in het vertrouwde ritme blijven. 

Dat ritme is net even anders dan dat van mij. 

Vrij spel in de nachtelijke uren

Als ik slaap – ‘s nachts, mijn dagelijkse inzakkertje na het avondeten reken ik niet mee – komen Coos en Bliksem tot leven. Ze hebben vrij spel en soms hoor ik ze door de gang stuiven; die is ongeveer twaalf meter lang, dus daar kunnen ze wel wat mee. Af en toe valt er in huis iets om. 

Het is altijd weer een verrassing wat ik ‘s ochtends allemaal aantref. In de huiskamer liggen meestal kranten, pennen, mijn joggingbroek en placemats verspreid over de vloer. In de hal zijn schoenen uit het rek gehaald. Naast de kattenbak liggen meestal drie drollen op het zeil te smeulen. Dader: Coos. Dat is dan weer geen verrassing. Coos heeft het niet zo op de kattenbak, ook niet nadat ik die heb schoongemaakt. 

Ik word na het verlaten van mijn bed hartelijk begroet. Wat veel te maken heeft met het voerbakje, waarin nog maar een paar brokjes liggen. Ik pak de zak met voer uit de berging, rammel er theatraal mee en dan dartelen de twee enthousiast om mijn voeten. 

Uurtje donderjagen

In de loop van de ochtend dient zich een uurtje donderjagen aan. Coos en Bliksem stuiven achter elkaar aan, springen over stoelen, banken en tafel en gaan samen lekker rollebollen. Het gaat er soms stevig aan toe. 

Zo rond het middaguur zijn ze hun energie kwijt en gaan ze er rustig bij liggen. Of allebei op een eigen plekje of bij elkaar. Dan vinden ze elkaar in een innige omstrengeling. Voor hen is het dan bedtijd. Piepend en snurkend gaan ze een paar uur pitten.

Een innige omstrengeling.

Naarmate de avond nadert worden ze weer wakker en doen ze allebei hun eigen ding. Meestal zit ik met de kinderen, als ze niet bij mijn ex maar bij mij zijn, op de bank en dan voegen Coos en Bliksem zich gezellig bij ons. Bliksem zoekt de knuffel, Coos houdt iets meer afstand. En soms kijkt ze televisie. Zeker als ik naar het dierenprogramma Love Nature kijk. Met name katachtigen trekken dan haar aandacht. Logisch, het zijn verre verwanten.  

Coos kijkt graag naar Love Nature.

Zo vullen Coos en Bliksem hun dagen. Ook tijdens de coronacrisis.

En ik? Ik tik. Artikelen voor mijn krant, blogs, nieuwe hoofdstukken voor mijn boek, en ik ga meedoen aan verhalenwedstrijden. Wie lol heeft in schrijven, heeft een mooi excuus om thuis te blijven. 

Mijn werkplek.

De coronacrisis – er is ook leuk nieuws

Tja, wc-rollen hamsteren – het gebeurt gewoon echt.

Zo. Net nog even naar de supermarkt geweest en de laatste wc-rollen uit het schap gegrist. Tien familiepakken twee laags papier met roze hartjes erop – niet helemaal mijn smaak, maar dat maakt nu even niet uit – en nog twee pakken gerecycled toiletpapier. Ik kan voorlopig voort. Schijt aan degenen die na mij komen en mistasten. Er schuifelde nog een oude vrouw met haar rollator richting schap, maar die was dus mooi te laat…  

Nee hoor, zo zit ik niet in elkaar. Geen denken aan. Maar kennelijk zijn er dus mensen die dit echt doen. Snap daar he-le-maal niets van. Brengt de coronacrisis dit nu echt bij mensen naar boven? Ik sprak gisteren in mijn supermarkt een jonge medewerker die voor de zesde keer schappen aan het vullen was. Of ze dat gehamster hadden verwacht, vroeg ik. En ja, ze hadden het verwacht. In andere landen gebeurt het immers ook. Ze hadden alleen niet verwacht dat het zó snel en zó fanatiek zou gebeuren. 

Mooie, hartverwarmende dingen

Als redacteur van een lokale krant heb ik ook beroepsmatig met de coronacrisis te maken. Ik focus me op het goede nieuws. En ik hoef niet lang of ver te zoeken. Er gebeuren immers ook mooie, hartverwarmende dingen.  

Dat bleek al snel toen ik de Facebookpagina’s bekeek van de twee dorpen waar mijn krant uitkomt: Landsmeer en Oostzaan. Meteen nadat landelijk het sein op rood ging en allerlei deuren in het slot vielen kwamen de eerste berichten: oproepen om boodschappen te halen, om bloemen naar eenzame ouderen te sturen en – later – om zorgverleners massaal te steunen.  

Ik heb me erin gemengd om diverse acties via mijn krant, website en Facebookpagina te promoten. Een schone taak. 

En zo kwam ik in contact met Nathalie Hagenstein. 

Nathalie Hagenstein weet wel raad met de vrije tijd die ze nu heeft.

Nathalie Hagenstein woont in Landsmeer en werkt nu noodgedwongen thuis. Veel werk is er nu echter niet, en dus heeft ook zij via Facebook aangeboden boodschappen te halen. Ze had meteen een dankbare ‘klant’. Nathalie heeft voor zestig euro boodschappen voor haar gehaald en heeft daarna géén tikkie gestuurd. “Want,” stelt ze, “wat is zestig euro op een mensenleven?”

Ze zou het zó weer doen. En niet omdat ze uit is op complimenten of een bedankje. “Nee,” zegt ze, “Ik wil alleen een stroom van goede daden teweegbrengen. Met de coronacrisis hebben we nu eenmaal te dealen. Maar stop met zeuren over lege schappen. Ga iemand helpen.” 

Iets om over na te denken.  

Een extra shout out naar de zorg

Nee, Nathalie maakt zich niet druk om de lege schappen in de supermarkten. Wel om degenen die dezelfde schappen zes keer per dag vullen. En om degenen die in de zorg werken en het uiterste van zichzelf vergen. “We moeten meer stil staan bij de mensen die zich zo inzetten. Ik ben voor een extra shout out naar de zorg.” 

Uiteraard heeft ze meegedaan aan de massale, landelijke applausactie om de waardering voor zorgmedewerkers dik te onderstrepen. Voor de zekerheid had ze haar dorpsgenoten via apps en mails aangespoord om hetzelfde te doen. 

Inzamelactie voor de Voedselbank Zaanstreek

Toch gaat Nathalie nu pas echt los. De Voedselbank Zaanstreek dreigt binnen afzienbare tijd zonder spullen te zitten. Want omdat de vrijwilligers van voedselbanken niet meer bij supermarkten voor de deur staan, stokt de aanvoer. En dus zet Nathalie zelf een inzamelactie op touw. Woon je in de buurt van Landsmeer en doe je mee? Neem dan contact met haar op via nathalie173@hotmail.com

Nathalie start een inzamelactie voor de Voedselbank Zaanstreek.

Mooi mens, Nathalie. “Saamhorigheid is belangrijker dan wc-rollen,” zei ze nog. 

Als ik werkelijk al die wc-rollen had gekocht, had ik ze nu op een holletje teruggebracht. Allemaal.

VisZEN

Zo heerlijk, kijken naar vissen die domweg maar wat ronddobberen.

Voor mij is niets zo rustgevend en mindful als wandelen door de natuur. Ik richt mijn aandacht dan vooral op de dieren die ik zie of hoor. Ik kan daar helemaal in opgaan. Ik luister minutenlang naar de specht die met zijn snavel op een boomstam hamert. Volg de slak die op zijn dooie akkertje een fietspad oversteekt. Bekijk aandachtig hoe de spin tussen een paar takken zijn web weeft.

Ik word daar nogal zen van.

Maar het leuke is: voor een dergelijke beleving hoef ik niet eens de deur uit. Want ik kijk bijna dagelijks naar een prachtig televisieprogramma: Love Nature heet het. Het programma toont continu de mooiste natuurdocumentaires. Zonder reclame – ja, dat bestaat! – en op de achtergrond rustige muziek en een bedaarde commentaarstem.

De beukbaviaan, de grotgems en de lamzaklibelle

De onderwerpen lopen wijd uiteen. Van de territoriumdrift van de Braziliaanse beukbaviaan en de trektochten van de grauwe grotgems tot het jachtinstinct van de Siciliaanse sidderslang en het slome paargedrag van de lamzaklibelle.

Ik vind het allemaal even boeiend.

Maar waar ik het meest zen van word: vissen. Beter gezegd: visZEN. Vaak is de wereld onder water het decor van het programma. Dan ga ik op het puntje van mijn stoel zitten. De meest vreemdsoortige en soms bontgekleurde vissen trekken voorbij. En altijd zo heerlijk ongehaast. Dan valt alles om mij heen weg.

De lionfish. Mooi toch?

Soms moet ik vreselijk lachen als er een vis voorbij zwemt. Zo’n slome duikelaar bijvoorbeeld.

Sloom type met bijpassende lodderige blik. Geweldig!

En ik barst echt in lachen uit bij dit soort vissen:

Niet geheel in zijn hum.

Bókchagrijnig is-ie. Waarschijnlijk een slechte, korte nacht gehad en nog lang niet uitgeslapen.

Of ze hebben best wel trek.

De morayvis. Kan zomaar opduiken.

Ik kan dit tv-programma echt aanraden.

Ben, Bert en Bas
Of koop een vissenkom met goudvissen. Heb ik ook gedaan. Drie goudvissen zwommen rond – Ben, Bert en Bas. Regelmatig ging ik er rustig voor zitten en staarde gedachteloos naar hun onbekommerde gedobber.

Bas was wel een buitenbeentje. Hij zwom altijd alleen, terwijl de andere twee gezamenlijk optrokken. Vaak zwom hij recht op de glazen wand af, stootte zijn neus, schrok, deinsde terug en… deed daarna precies hetzelfde. Niets geleerd. Bert en Ben zagen het gebeuren en wisselden dan uit hun ooghoeken een blik van verstandhouding met elkaar.

Af en toe was de sfeer in de kom te snijden. En op een zekere ochtend dreef Bas op zijn rug. Zeer dood. Nooit zal ik weten wat er is gebeurd.

Dus misschien is het toch beter om het bij Love Nature te houden.

De sollicitatiestunt die mijn leven een boost gaf

Het is alweer vijf jaar geleden, maar ik pluk er nog steeds de zoete vruchten van: de sollicitatiestunt die mij na ruim twee werkloze, onzekere jaren een baan opleverde. Het zorgde vooral voor een boost waardoor ik als persoon enorm ben gegroeid. Mijn verhaal heb ik op donderdag 27 februari tijdens een goed bekeken UWV-webinar, getiteld ‘Lang werkloos: zo pakte Marcel (58) het aan’,  verteld. Ik heb na afloop tips gegeven en vragen beantwoord. De eerste positieve reacties kwamen al snel binnen.  

Vooraf de strategie doorspreken met UWV-webinarspecialist Tim Sachse.

Het leven leek me toe te lachen toen ik op 21 maart 2012 op straat kwam te staan. Boventallig verklaard wegens bedroevende bedrijfsresultaten. Aan 24 jaren als redacteur/journalist bij een uitgever van lokale kranten kwam abrupt een eind.  

Jammer, maar ik kon er goed mee leven. De kranten werden immers dunner en er dienden zich steeds meer momenten aan dat ik he-le-maal niets te doen had. Verschrikkelijk. Nee, dan liever boventallig. Eerst thuis nog even genieten van het lentezonnetje, beetje lummelen en rommelen en na verloop van tijd een nieuw baan of misschien wel een eigen tekstbureau. Haast was niet geboden. Ik werd nog een jaar doorbetaald en kreeg los daarvan een leuke premie mee. Lekker toch? 

Het was lente en alles zag er zonnig en fleurig uit.

Niet dus. 

Een gure herfst brak aan. Sollicitaties ketsten af. Het ontbrak me aan durf om een eigen onderneming op te zetten. De onzekerheid sloeg toe. Geen idee wat ik wilde. Ik schoot met hagel en het waren allemaal missers. Ondanks de professionele begeleiding van een jobcoach. Thuis zitten was nog wel leuk – zeker omdat de kinderen nog klein waren, want die kon ik dan mooi naar school brengen en weer ophalen – maar ook dat veranderde.  

Het leven zag er ineens minder zonnig uit.

Heel confronterend was een zekere ochtend aan het begin van een sportdag op school. De dag werd geopend met een jumpclinic op het schoolplein. Ouders bleven even hangen om te kijken en mee te doen en ik stond er natuurlijk ook bij. Maar toen liep de ene na de andere ouder weg, totdat ik als enige over was. En ik dacht ineens: tja, díe gaan allemaal naar hun werk. Zij wel. Een pijnlijke constatering. 

Ik solliciteerde dapper door. Zonder resultaat. In twee jaar tijd werd ik twee keer voor een gesprek uitgenodigd. Het werd twee keer niets.  

Ik zat in de WW

Ik zat inmiddels in de WW – iets wat ik nog nooit voor mogelijk had gehouden – en daar moest ik nog blij mee zijn. Want nog twee maanden en dan zou ik geen recht meer hebben op een uitkering. En voor een bijstandsuitkering zouden we niet in aanmerking komen. De nood was hoog, het werd buitengewoon lastig om de maandelijkse hypotheek te betalen, ik stond dagelijks stijf van de spanning, mijn huwelijk stond op instorten. Met mijn grote teen tipte ik de bodem van de put aan. 

Er móest iets gebeuren. En toen kwam de kentering. 

Ik liep met het lood in mijn schoenen een uitzendbureau binnen, schoof aan bij de eerste de beste medewerkster die vrij was en vertelde mijn verhaal. Na tien minuten onderbrak ze me. Ze boog naar me toe en zei: ‘Meneer Van Stigt, u hebt nu al drie keer gezegd dat u al 54 jaar bent.’ 

Ik had het niet gemerkt. 

En toen kwam het besef: ik wierp zelf mijn leeftijd als obstakel op. Ik gooide zelf alle deuren in het slot. Zo zou het natuurlijk nooit gaan lukken. 

Ik had toen nog maar één zetje nodig om het roer volledig om te gooien. En dat zetje diende zich snel aan. Ik had een aantrekkelijke vacature gezien en mailde een enthousiaste motivatiebrief en aangepast CV door. Binnen drie minuten zat er een afwijzing in mijn inbox.  

Mijn reactie kan ik nog zo terughalen, alsof het vanochtend is gebeurd. Ik sloeg met mijn vlakke hand op de tafel en riep: “En nu ben ik er klaar mee!” 

Al mijn schroom, gêne, reserves en bescheidenheid kieperde ik overboord. En toen zette ik deze open sollicitatie op Facebook en LinkedIn. 

Deze spontaan opgezette advertentie is op Facebook ruim 9300 keer gedeeld.

Het werd een nooit verwacht succes. Het volgende viel mij ten deel: 

  • Op Facebook werd mijn post ruim 9300 keer gedeeld 
  • Op LinkedIn begon het connectieverzoeken te regenen; wekenlang stond ik bovenaan met de meeste activiteit  
  • Mijn mailbox stroomde vol 
  • Ik werd doorlopend gebeld 

De berichten varieerden van ‘Wat een lef!’ en ‘Die man verdient een baan!’ tot ’Veel succes!’ en ’Ik leef met je mee!’ 

Hartstikke leuk natuurlijk, maar… daarmee had ik nog geen baan.  

Geen beginnen aan

Maar het zou allemaal goed komen. Diverse bedrijven en recruiters benaderden me en het leidde tot diverse gesprekken. Het hadden er meer kunnen zijn, als ik het overzicht en de rust zou hebben gehad om alle reacties door te nemen – vergelijk het maar met de zak brieven die sommige deelnemers van ‘Boer zoekt vrouw’ aangeleverd krijgen. Geen beginnen aan. Ik heb zelfs nog uitnodigingen afgeslagen en gesprekken gecanceld. Het was gewoon te veel. 

Uiteindelijk een vaste baan

En ja, uiteindelijk leverde de sollicitatiestunt mij een vaste baan op. De toenmalige HR-manager van NCOI Opleidingen – Kim Helmer, ik ben haar eeuwig dankbaar – had mijn post op Facebook gezien. Het was haar missie om op een andere manier medewerkers binnen te halen en mijn advertentie paste precies in het plaatje. Ik ben gebeld en na twee gesprekken was het beklonken. Op 1 december 2015 begon ik bij NCOI Opleidingen als commercieel tekstschrijver.  

“Hoeveel uur wilt u werken?” was mij nog gevraagd. 

“Nou,” zei ik, “doe maar 40.” 

Vacature copywriter

Ik was blij dat ik eindelijk aan de slag kon. En trots op de manier waarop het mij was gelukt. Maar… ik vond het werk niet erg leuk. Daar kon ik niet omheen.  Nee, dan sprak de vacature van copywriter die ik op het intranet zag staan me veel meer aan. Maar om nu na twee dagen al intern te solliciteren… Dan moet je wel érg brutaal zijn. 

Na vier maanden begon het inwendig toch iets te veel te wringen. Ik solliciteerde en… verhuisde op 2 mei 2016 naar de afdeling Marketing om copywriter te worden. Ontzettend leuke baan.  

Het werk waar ik het meest blij van word

Maar niet zo leuk als journalist bij een lokale krant – het werk waar ik het meest blij van word. De kans om terug te keren naar mijn oude vak, ook nog eens in mijn woonplaats Purmerend én met een paar collega’s die ik nog kende, deed zich in september vorig jaar voor. Ik heb gesolliciteerd en ben aangenomen. Het sollicitatiegesprek met de hoofdredacteur vond plaats op een picknickbank voor de deur van het NCOI-kantoor. Hij was naar me toe gekomen en ik vond het wel iets hebben.  

Het gehele verhaal heb ik verteld tijdens het UWV-webinar. Erg leuk om te doen. Er werden live diverse vragen gesteld. De mooiste vraag: ‘Waar ben je het meest trots op?’ Mijn antwoord: dat ik het heb aangedurfd om op deze ongebruikelijke en openhartige manier te solliciteren. Dat ik doelbewust alle schroom achter me heb gelaten. Het heeft me veel gebracht. 

De zon is weer gaan schijnen, uitbundiger dan ooit tevoren.

Wat ik gemeen heb met Paul McCartney

Net als ik heeft de beroemde Brit TM beoefend – en misschien doet hij dat nog steeds.

Sinds 7 jaar volg ik qigonglessen bij ChiNeng Qigong Centrum Purmerend. Een voor mij ideale mix van gymnastiek, yoga en meditatie. Mijn levensenergie (qi) stroomt daardoor heerlijk door mijn lijf en daar heb ik veel baat bij.

Lang voordat ik aan Qigong begon heb ik diverse vormen van yoga en meditatie uitgeprobeerd. Ik was zoekende – waarnaar, dat weet ik niet meer, laat staan dat ik weet of ik heb gevonden wat ik zocht – en kwam onder meer in aanraking met Transcedente Meditatie (TM). Het was jaren geleden bijzonder populair vanwege zijn bewezen heilzame effecten en simpele techniek. Ik ben dit gaan beoefenen en bleek me in goed gezelschap te bevinden. Ook grootheden als Paul McCartney, Clint Eastwood en Oprah Winfrey waren enthousiaste TM’ers. Nou, moet ik nog meer zeggen?

Maharishi Mahesh Yogi – een goeroe met geld

De grondlegger van TM was Maharishi Mahesh Yogi. De Indiër had zijn geboorteland verlaten en woonde in een peperduur hoofdkwartier in Laag Soeren. Een goeroe met geld; daar heb je er volgens mij niet zo veel van. De goede man verdiende veel lof, dat zeker, maar om nou in elke leslocatie grote foto’s van hem op te hangen en af en toe een geurig boeketje bloemen en vers fruit mee te moeten nemen als blijk van verering – dat vond ik wat overdreven. De positieve effecten ten spijt ben ik ermee gestopt.

Bloemen meenemen ter verering – dat vond ik wat overdreven.

De ‘cool breeze’ van Sahaja Yoga

Een folder die ik in mijn brievenbus vond zette me op het spoor van een cursus Sahaja Yoga. Ik heb het geprobeerd. Bij Sahaja Yoga draaide het om een ‘cool breeze’ die je door je ruggengraat kon laten gaan. De kilte heb ik daadwerkelijk ervaren. Maar dat kwam vooral door het echtpaar dat deze lessen verzorgde. Ze straalden net zo veel warmte uit als het vriesvak van mijn koelkast.

Dat was nog niet eens het ergste.

Sahaja Yoga was volgens hun onwrikbare overtuiging de enige yogavorm die werkte. Punt. Sommige deelnemers brachten er voorzichtig tegenin dat zij ook met andere yogavormen positieve ervaringen hadden. Het werd hoofdschuddend als een ernstige misvatting afgedaan.

De twee liepen rond in een kleurig gewaad. Een bloemenkrans sierde hun hoofd. En o ja, in elke les toonden ze een film van de bedenkster van Sahaja Yoga. We hoefden nog net niet voor haar te knielen. Na drie lessen ben ik gestopt. Het ging me net even te ver.

In een kringetje na de reiki-les

Ook heb ik een reiki-les gevolgd. Heel aangenaam, maar aan het eind moesten we in een kringetje staan, elkaar bij de hand nemen en een liedje zingen om reiki te bedanken. Kijk, en dat had voor mij nou weer niet gehoeven. Het bleef bij die ene les.

Tja, reiki. Heilzaam, maar één les was voor mij genoeg.


De qigong-lessen – wat een verademing

Nee, dan de lessen qigong die ik volg. Niks bewieroking, niks rare rituelen, niks paarse gewaden en bloemenkransen. De leraar heet gewoon Hans en hij brengt ons bij hoe we het meest uit de eeuwenoude Chinese bewegingsleer kunnen halen. Mooie oefeningen, grapje tussendoor en zinvolle informatie. Informatie die we, zo benadrukt hij regelmatig, niet blind voor waar moeten aannemen. Wat een verademing.

En na afloop gaat iedereen blij en vol nieuwe energie naar huis.

De knikkers en het spel

Een bal die razendsnel rondgaat, flitsende counters, mooi uitgespeelde aanvallen, wonderschone doelpunten. Met verbazing en bewondering bekijk ik hoe mijn zoon het Fifa20-spel op zijn PlayStation bedient. Alsof ik naar een echte voetbalwedstrijd zit te kijken – compleet met technische hoogstandjes, emoties op de gezichten van de spelers en bijpassend commentaar. Ik probeer het soms zelf, op aanwijzingen van mijn zoon. En het valt verdomd niet mee. Maar wát leuk vind ik dit. 

Toen ik zelf nog tiener was, creëerde ik een eigen variant. Een groen kleed vormde het voetbalveld, knikkers fungeerden als spelers en een fietskogeltje deed dienst als bal. Complete WK’s speelde ik in mijn slaapkamer – met Nederland, dat bij gebrek aan oranje knikkers in het wit speelde, standaard als winnaar. Het commentaar verzorgde ik zelf.  

Knikkers fungeerden als spelers.

Ik moest eraan terugdenken toen mijn zoon vroeg waar ik als kind mee speelde. Ik wist het nog precies. Vooral omdat ik aan mijn voetbalwedstrijden toen enorm veel plezier beleefde.  

Potje met de PlayStation

De uitnodiging van mijn zoon om een potje met zijn PlayStation te spelen nam ik graag aan. Wel moest ik eerst wat reserves overboord gooien. Ik heb weleens eerder computerspelletjes gespeeld en die gingen me allemaal veel te snel. Zelfs bij een simpel tennisspelletje reageerde ik onthutsend traag op de komende ballen. 

Maar goed, het is maar een spelletje en dus heb ik me er gewoon aan gewaagd. Mijn zoon stelde de wedstrijd in. Ik vertegenwoordigde Dynamo Kiev. Het is mijn all time favoriete ploeg nadat die in 1975 de Europa Cup 2 won ten koste van Ferencvaros en daarna de Supercup binnenhaalde door een machteloos Bayern München te verslaan. Als tegenstander had ik gekozen voor Bristol City. Je moet niet meteen te hoog mikken.    

Opperste concentratie.

Beginnersniveau

Mijn zoon had me heel wijs op het beginnersniveau ingeschaald. En ik moet zeggen: het viel me erg mee. Het lukte me best goed om de bal in de ploeg te houden en rustig op te bouwen – onderdeel van de vooraf uitgedachte tactiek. Bristol City bleek een wat taaiere tegenstander dan ik had verwacht en sloot zich zeker niet op in het eigen strafschopgebied. En dat in een uitwedstrijd met tachtigduizend enthousiast joelende Oekraïners op de tribune. Maar we gaven vrijwel geen kansen weg en naarmate de minuten vorderden kreeg ik meer greep op de wedstrijd.  

Passen, lopen en schieten

De consoler waarmee je het spel bestuurt herbergt tientallen mogelijkheden. Ik beperkte me tot passen, lopen en op doel schieten. Dat vond ik al heel wat. 

Dynamo Kiev won met 2-0. Terecht. We waren gewoon beter. En ik kreeg de smaak te pakken. Ook Benfica moest eraan geloven. En Manchester United, al kwamen we in alle eerlijkheid wel goed weg omdat het Britse aanvalstrio in een belabberde vorm stak en enkele kansen verprutste. En dat voor zo’n gelouterde ploeg.  

Van beginner naar amateur

Maar de winst gaf me vertrouwen. Reden genoeg om het een treetje hoger te zoeken. Van beginner naar amateur. Wat een verschil. Uit tegen Zulte Waregem moest ik echt alle zeilen bij zetten. Te lang dralen met het afgeven van de bal werd direct afgestraft. Onze keeper had een off day en daardoor verloren we met ehhh.. 0-4.  

Ik was er niet bij, maar in de kleedkamer zullen na afloop harde woorden zijn gesproken. 

Slimme steekbal

Ik heb me herpakt. Ik ben nu in staat meer uit de spelers te halen. Af en toe een messcherpe tackle, een kopbal en zelfs een slimme steekbal. Ik ontdek steeds meer functies. En tot mijn niet geringe verbazing wil ik ook winnen. Bij voorkeur met oogstrelend en effectief voetbal. En als het niet anders kan, met oneerlijk spel. Ik ben driftig op zoek naar een manier om een subtiele schwalbe in het strafschopgebied mogelijk te maken. Die functie heb ik op de consoler helaas nog steeds niet gevonden.  

Een bijblaadje vol mooie verhalen

Als redacteur/journalist van het Kompas, een lokale krant die in Landsmeer en Oostzaan verschijnt, kwam ik laatst bij een echtpaar thuis dat zestig jaar is getrouwd. Een mooie aanleiding voor een menselijk verhaal. Na drie kwartier vragen stellen en het gesprek op gang houden, wilde de vrouwelijke helft van het stel mij iets vragen: ‘Komt het verhaal in een krant of in het Kompas?’

Deze vraag moest ik even op me laten inwerken. ‘Hoe bedoelt u?’ reageerde ik. ‘Het Kompas ís een krant.’

‘Maar het Kompas is toch een bijblaadje?’ stelde de vrouw.

Ik heb het maar zo gelaten. Inwendig moest ik er best een beetje om lachen. De term bijblaadje kende ik nog niet. 

Hoe anders was dat toen ik jaren geleden, voordat ik boventallig raakte, ook bij een uitgeverij van lokale kranten werkte. Dan kringelde er meteen rook uit mijn oren als iemand zich neerbuigend over de krant uitliet. Sufferdje was toen al een gangbare term. Ik hield me dan netjes in, maar niet helemaal. 

Ik zal nooit vergeten dat ik een wat hautaine ondernemer aan de lijn kreeg. Hij vroeg of hij namens zijn bedrijf een persbericht in ons ‘krantje’ mocht plaatsen.

‘Ja hoor,’ antwoordde ik, ‘dat mocht. Wat heeft u voor bedrijfje?’ 

Secondenlang bleef het stil. Toen hing hij op. Nooit meer iets van hem gehoord.  

Wervend artikel over tegelwinkel

Wat me ook nog helder bijstaat is dat ik een keer een wervend artikel over een tegelwinkel moest schrijven. Belangrijke adverteerder – en niet in de laatste plaats vond hij zichzelf heel belangrijk – dus hij moest vooral in de watten worden gelegd.  

Tijdens het gesprek – hij liet me eerst bijna een kwartier in zijn kamer wachten, en ik weet nog steeds niet waarop en waarom – wilde hij mij een kopie van een lovend artikel meegeven dat een collega-journalist over zijn winkel had geschreven. Het kopieerapparaat stond naast hem en het artikel lag op zijn bureau. En dus belde hij een medewerkster die beneden in de winkel rondliep. Ze was al eerder koffie komen brengen en nu werd van haar verlangd dat ze het kopietje maakte. 

Mijn weerzin nam huiveringwekkende vormen aan. En het werd alleen maar erger toen hij uit de hoogte eiste dat hij vooraf inzage in mijn artikel kreeg. 

Er kwamen wilde fantasieën op

Ik heb het gedaan, en er kwamen wilde fantasieën op. Ik deed iets met een van zijn vloertegels, een exemplaar met een ruw, korrelig oppervlak, en daarna kon de man wékenlang niet zitten. Of hij had ineens iets weg van een breedbekkikker. 

Maar dat was toen. 

Nu ben ik de mildheid zelve en maak ik me nergens druk over. Vooral heb ik enorm veel lol in mijn werk. Ik interview de meest uiteenlopende mensen. Van burgemeesters tot scholieren die geld inzamelen voor koala’s in het door bosbranden geplaagde Australië en van dorpelingen die statushouders wegwijs maken in hun nieuwe omgeving tot het plaatselijke judotalent. Geen vooraf bedachte vragen maar een onbevangen benadering. Het zijn altijd prettige gesprekken en het resulteert in een krant met mooie verhalen. 

En nu mogen ze dat van mij best een bijblaadje noemen. Vind ik helemaal niet erg. 

Hoe Alexander Curly mij keelpijn bezorgde

Laatst hoorde ik op de radio een oude hit van de Nederlandse artiest Alexander Curly. Meteen kreeg ik pijn in mijn keel, alsof ik een steentje had ingeslikt. En ik had op slag dorst.

Nee, ik heb geen drankprobleem en dat heb ik ook nooit gehad. Maar het nummer riep direct associaties op met een week uit mijn tienertijd. De week dat ik met Angina in bed lag – en nee, dat was geen leuk meisje, maar een oude benaming voor een keelontsteking. Het ging gepaard met keelpijn, opgezette klieren, koorts en een droge keel. Ik moest veel drinken en dat was best pijnlijk.

Elk uur een Troetelschijf op de radio

Ik kan me die week nog goed herinneren. Ik lag in het bed van mijn ouders, met groene, flanellen lakens die naar vanille geurden, en mijn moeder legde me heerlijk in de watten. De radio stond de hele dag aan en elk uur werd een zogenaamde Troetelschijf gedraaid. Dat was in die week het nummer van Alexander Curly. Het hing na twee dagen mijn pijnlijke keel uit. En toen ik het laatst hoorde, werd ik direct naar die week teruggevoerd. Wonderlijk hoe zoiets werkt.

Nog nooit een verfkwast aangeraakt

Ik heb dat vaker meegemaakt. In 1998 kocht ik een huis in De Rijp en moest ik aan de slag om het interieur op te knappen. Dat was voor mij voor het eerst en ik was daar behoorlijk onzeker over.  Nog nooit had ik een verfkwast of zelfs maar een schroevendraaier aangeraakt. En nu moest ik schuren, met ammoniak in de weer, gaten in muren dichtplamuren, gronden en aflakken. Geen idee hoe dat moest. Door de spanning liep ik rond met een steen in mijn maag. Ook nu had ik de radio aan. Er kwam regelmatig een hit voorbij, waarvan ik de titel en artieste helaas niet meer weet. Maar het nummer wordt nog wel eens gedraaid en dan keert die steen met de daarbij horende onzekerheid direct terug. Ik zie mezelf dan weer vertwijfeld met een druipende kwast voor een muur staan. Ik ruik de verf en voel kille windvlagen in mijn nek. Vanwege de verflucht had ik de ramen opengezet.

Bosloop op het ritme van Julien Clerc

Nog een voorbeeld. In de zeventiger jaren voetbalde ik bij Rood Wit-A in Amsterdam-Noord. Als speler van het tweede juniorenteam trainde ik mee met de jeugdselectie. Dat ging best serieus. Het seizoen werd geopend met twee keer per week een bosloop. Daar had ik een hartgrondige hekel aan en toen al had ik geen beste conditie. Bovendien vond ik het gruwelijk saai. Om mezelf er doorheen te slepen draaide ik in mijn hoofd een liedje van Julien Clerc af. Waarom juist dat nummer? Geen idee. Maar het sprak me aan en door het ritme liep ik een stuk makkelijker.

Het liedje zit nog in mijn hoofd en dan zie – en voel – ik mezelf weer lopen. Met bonkend hart en pap in mijn dijen.

Sommige liedjes voeren me direct terug naar een specifiek moment en het maakt niet uit hoe lang het is geleden.

Met mijn jongere broer naar Roxy Music – een mooie herinnering

Het kan ook andersom. Dan wil ik momenten opnieuw ervaren en zoek ik op YouTube het bijbehorende nummer op. Bijvoorbeeld als ik in een weemoedige bui terugdenk aan mijn overleden jongere broer. Heel vaak draai ik dan het mooiste nummer uit het concert van Roxy Music, nog steeds mijn favoriete band, dat ik ruim een jaar voor zijn dood met hem heb bijgewoond. Dat wilde ik graag samen met hem beleven. Een herinnering die ik koester.